Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stevel - (laars)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

stevel zn. ‘laars’
Middelnederlands stevele ‘laars’ (1477, Teuthonista; wegens -e is dit waarschijnlijk een meervoudsvorm, vgl. ook bij Plantijn, 1573: stevel oft stevels). Vroegnieuwned. stevel (1573), stivel, stevel, stifel (1599, bij Kiliaan, die ze als Duitse, Gelderse en “Saksische” woorden betitelt). In de standaardtaal is stevel nooit frequent geworden. In 1937 zegt het WNT over stevel: “Thans, behalve in oostelijke dialecten, alleen nog bekend als grappig woord”. In dialecten reikt stievel, stevel van Maastricht tot Groningen.
In het Zuidnederlands is een oudere vorm stivalen (mv., 1383) geattesteerd. Dit woord was blijkbaar al in de dertiende eeuw bekend in Vlaanderen, gezien de familienamen Stivaels (Gent, 1281) en Stivael (Gullegem, Menen, 1398), die op de maker of drager van stivalen kunnen slaan.
In het 20e-eeuwse Limburgs heerst s(j)tievel in het zuiden van Nederlands-Limburg en het zuiden en midden van Belgisch Limburg. De overige delen van Limburg hebben s(j)tevel. Die verdeling van varianten is precies dezelfde als bij woorden met Germaanse *i en in open lettergreep, zoals hemel en netel. Dat geeft aan dat het woord al geruime tijd in de taal aanwezig is, minstens sinds de rekking van korte klinkers in open lettergreep rond 1200.
Verwante vormen: Mhd. stival, stivāl, stivel, Mndd. stevel, mv. stevele ‘laars’. Vanwege de ee en de vroege inburgering kan het Nederlandse woord niet uit Hoogduits Stiefel ontleend zijn, zoals wel is beweerd. Zowel Mnl. stivalen als Mhd. stival wijzen in de richting van Oudfrans estival (vanaf de 12e eeuw) ‘laars, schoen’, een afleiding van Oudfrans estive ‘been’ dat uit Latijn stīpes ‘paal’ komt. Duitse en Nederlandse dialecten hebben het woord blijkbaar nog voor 1200 als *stival of *stivel ontleend aan het Oudfrans. De opvallende invoering van de beginklemtoon kan veroorzaakt zijn door identificatie van -al, -el met het inheemse, onbeklemtoonde suffix -el. Er is overigens geen bewijs voor de hypothese dat de estival oorspronkelijk een ‘zomerschoen’ zou zijn, en van Latijn *aestivale ‘zomers’ zou zijn afgeleid.
Zie ook stiefelen.
[Gepubliceerd op 12-02-2015 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stevel [laars] {stevele 1477} < hoogduits Stiefel < oudfrans estival, estivel [zomerlaars, laars] < middeleeuws latijn stivale, estivale, latijn aestivalis, o. aestivale [zomers], van aestus [hitte], aestas [zomer], dus zomerschoeisel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stevel znw. Kil. stivel, stevel, stifel (“Germ. Sax. Sicamb.”). Uit mhd. stivel (stivā̆l; nhd. stiefel), mnd. stēvel m., oostmnl. (Teuth.) stevele “laars”, een sedert ’t laat-Ohd. (stiful) voorkomend woord, dat uit it. stivále ontleend is; dit heeft oorspr. “licht schoeisel, zomerschoen” beteekend: immers het gaat op lat. aestîvâle “zomersch” terug.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stevel. Het rom. zowel als het germ. woord betekent ‘(hoge) laars’. Op zomerreizen en bij werkzaamheden buiten droegen italiaanse geestelijken hoog schoeisel in plaats van de voorgeschreven lage caligae, zodat de bet. geen aanleiding geeft om de afl. van het rom. woord uit lat. aestivâle te betwijfelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stevel m., gelijk Hgd. stiefel, uit Mlat. stivale (It. id.), zelfst. gebr. onz. van Lat. æstivalis, het adj. van æstas = zomer (z. eest); dus, zomerschoen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stievel (zn.) hoge laars; < Duits Stiefel.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

stewel s.nw.
Hoë inrygskoen wat soms tot by die knie strek.
Uit Ndl. stevel (Mnl. stevele) wat tans, behalwe in die oostelike dialekte, alleen nog bekend is as 'n grappige woord. Die gebruiklike Ndl. woord is tans laars. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1768 (Scholtz 1972: 168), waarna in Afr. by Changuion (1844) in die vorm stevels.
D. Stiefel (13de eeu).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stevel ‘laars’ ->? Duits Stiefel ‘laars’; Deens støvel ‘laars’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors støvel ‘laars’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stövel ‘laars’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch setiwal, setiwel, stéwal, stiwal ‘beenwindsels, beenkappen’; Jakartaans-Maleis setiwel ‘laars, schoeisel’; Javaans † kestiwel ‘laars’; Javaans setiwel ‘laars’; Madoerees satiwēl ‘laars’; Soendanees istiwel ‘laars’; Petjoh † stomstiebel ‘stom rund (lett. stomme laars)’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut