Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steunen - (stutten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

steunen ww. ‘stutten; leunen’
Mnl. stonen, stuenen ‘steunen, stutten’ in daer si hen mede stonen op dwater ‘waar zij zich op het water mee afzetten’ [14e eeuw; MNW], die bussen an te stuenen ‘om er het geschut op te steunen’ [1420; MNW]; vnnl. steunen ‘leunen’ [1573; Thes.].
Mnd. stonen, stönen ‘leunen’ (waaruit nhd. vero. stöhnen ‘stutten’); mhd. stunen ‘stoten, slaan’; < pgm. *stunōn. Daarnaast staat mnl. stūnen ‘zich verzetten tegen, tegen iemand optreden’. Er komen ook vormen voor met een dentaal achter de -n, zo Oudengels styntan ‘stom maken’ (ne. stunt ‘de groei stuiten of verminderen’), Noord-Duits stuntzen en Deens stunte ‘stoten’.
Vorm en betekenis van steunen wijzen op een herkomst uit de grondvorm pie. *(s)teu- ‘stoten’. Er zijn verschillende ontwikkelingsgangen denkbaar. Een ervan gaat uit van een nultrap in de stam, een n-invoegsel en een dentaaluitbreiding. In een op de grondslag hiervan gevormd werkwoord pgm. *stuntijan- zou de -t- zijn weggevallen door toedoen van de daaropvolgende -j- (Grimm Stöhne). Deze hypothese is wegens de opzichzelfstaande -t-wegval vóór -j- in de oudere taalfasen weinig waarschijnlijk. Een andere verklaring is dat het hier gaat om een n-presens met frequentatieve betekenis bij *(s)teu-, namelijk *stu-. Daarmee wordt tegelijk de nultrap verklaard: deze is namelijk eigen aan de n-presens-werkwoorden (Kroonen 2009). Verwant zouden in beide gevallen zijn: Latijn tundere ‘stoten, slaan’; Sanskrit ní tundate ‘hij prikkelt zichzelf, spoort zichzelf aan’; Middelperzisch tund ‘scherp, hevig’; Armeens t'ndam ‘ik ben geschokt’; < pie. *(s)tund-, *(s)tun-, berustende op de grondvorm *(s)teu- ‘stoten, slaan’ (waarvoor zie LIV 601).
Steunen drukt oorspronkelijk het tegen elkaar stoten, plaatsen of schuiven van voorwerpen uit. Deze betekenis heeft het gemeen met andere afleidingen van de wortel *(s)teu-, zoals → stoten en → stuiken. Uit de onderliggende betekenis ‘druk uitoefenen’ hebben zich bijzondere betekenissen ontwikkeld, zoals ‘steunen’, ‘leunen’ en ‘zich schrap zetten’.
steun zn. ‘stut; hulp’. Vnnl. steune ‘steun’ [1588; Kil.], steun in hoe wel hy neeven ten steun hadt ‘hoewel hij bloedverwanten als steun had’ [ca. 1633; iWNT]. Afleiding van steunen.
Lit.: Kroonen 2009, 44

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steunen1* [stutten] {sto(e)nen, steunen 1420} vgl. ablautend middelhoogduits stunen [stoten], oudengels stunian [slaan], middelnederlands stunen [op iets staan, staande houden, zich verzetten tegen]; van dezelfde stam als stuurs, waarbij ook het in betekenis overeenkomende stutten behoort.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steunen 1 ww., mnl. stōnen, steunen, stēnen, mnd. stönen. Het woord is dus binnen het germ. zeer geïsoleerd, maar misschien verder te verbinden met mhd. stunen ‘slaan, stoten, op iets losgaan’, oe. stunian ‘slaan, klotsen’ (ne. stun) en verder abl. mnl. stûnen ‘met kracht aandringen, standhouden tegen iets’, zwits. stūnen ‘stijf staan’. In dit geval zou men dezelfde verhouding in bet. moeten aannemen als tussen stoten en stutten: ‘een stoot of druk uitoefenen tegen’ > ‘leunen’. — Dan kunnen wij verband leggen met de idg. wt. *(s)teu ‘stoten, slaan’, waarvoor zie: stoten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

steun, steunen znw. resp. ww. Hierbij misschien ohd. stunôd ‘hout om de kop van een maat af te strijken’. Ags. stunian ‘slaan, klotsen’ zal wel een ander woord zijn als het bij stenen vermelde stunian. Holthausen GRM. 18, 151.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

steunen 2 o.w. (leunen), Mnl. stonen + Zwits. stunen (waaruit Hgd. staunen): van denz. wrt. als stutten.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Steunen, stenen, van den Idg. wt. sten = bruisen, rumoer maken; verlenging van ten, zie Donder. – Steunen (stutten), van den Idg. wt. stu, verwant met stha = stand houden, doen staande blijven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

steunen ‘stutten’ -> Duits dialect stönen, stäunen ‘stutten’; Papiaments sten, stèns (ouder: steun, steen) ‘stutten, ondersteunen’; Surinaams-Javaans setén, nyetén ‘een donatie geven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

steunen* stutten 1420 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut