Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sterk - (krachtig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sterk bn. ‘krachtig’
Onl. stark ‘krachtig, heftig’ in in thu hulpere stark ‘en u (bent mijn) sterke helper’ [10e eeuw; W.Ps.], so lango her so starko thing thurgh mich leyth ‘zo lang doorstond hij zo'n grote ellende om mijnentwil’ [ca.1100; ONW]; mnl. starc ook ‘dapper’, zoals in dat diegene die in wanhope is stark is ‘dat degene die wanhopig is, moedig is’ [1270-90; VMNW] en sterc, zoals in Sterke veste ende goede ‘een sterke en goede veste’ [1285; VMNW], voorts ‘ongeloofwaardig’, zoals in sine staerke philosophie ‘zijn moeilijk te geloven hang naar wijsheid’ [1350-1400; MNW]; nnl. bovendien taalkundig in sterke of ongelijkvloeijende ... werkwoorden ‘werkwoorden met klinkerwisseling in de verleden tijd’ [1846; iWNT] en sterke of oude ... declinatie der substantieven ‘... met -r/-s in de genitief enkelvoud’ [1846; iWNT].
Ontstaan uit ouder stark, met overgang -a- > -e- voor -r- + velaar, zoals in → merk.
Os. stark (mnd. stark, sterk); ohd. starc, starah (nhd. stark); ofri. sterk (nfri. sterk); oe. stearc ‘stijf; krachtig; hard’ (ne. stark ‘stijf, star’); on. sterkr (nzw. stark); got. *starks in de (gelatiniseerde) naam Starcēdus; alle ‘sterk’, < pgm. *starka-.
De vormen met -e- in de oudere taalfasen komen voort uit de stam *sterka-, die ofwel een ablautvariant is, ofwel is ontstaan uit het op basis van j-umlaut analogisch gewijzigde paradigma van een u-stam *starku-. Een ablautvariant met -u- in de stam komt voor in ohd. gistorkanēn, on. storkna en got. gastaúrknan ‘stijf worden’, alsook in nnl. stork ‘de stijfpotige vogel; ooievaar’. Al deze vormen zijn afleidingen van een voor het overige niet geattesteerd sterk werkwoord pgm. *sterkan- ‘stijf worden’.
Verwant met: Lets terglis ‘stijfhoofdig iemand’; < pie. *(s)ter-g- ‘stijf worden’, een velare uitbreiding van de wortel *(s)ter-‘stijf zijn’, waarvoor zie → star. Een andere verschijningsvorm van dezelfde wortel is *(s)tre-g-, waaruit → strak is voortgekomen.
De uitgangsbetekenis ‘stijf, hard’ heeft zich gaandeweg ontwikkeld tot ‘hard, onbuigzaam’ en verder tot ‘krachtig, sterk’. De termen sterk en zwak in taalkundige betekenis zijn van Jacob Grimm afkomstig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sterk* [krachtig] {901-1000, oudnederlands stark, middelnederlands sta(e)rc, sterk} oudsaksisch, oudhoogduits stark, oudengels stearc, oudnoors sterkr, starkr, vgl. oudhoogduits gistorchanen [stijf worden], oudnoors storkna, gotisch gastaurknan [verdrogen]; de basisbetekenis is ‘stijf, star’, verwant met stork [de stijf stappende vogel] en staren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sterk bnw., mnl. starc, staerc, sterc, onfrank. os. ohd. stark, ofri. sterk, oe. stearc (ne. stark), on. sterkr (wegens de wisseling van germ. e en a denkt men aan een stam *starku-; in het nnl. is uit te gaan van stark, dat dan sterk werd, evenals in scherp en erg). — Abl. vormen zijn ohd. ki-storchanen ‘stijf worden’, on. storkinn ‘verstijfd, gestold’, styrkr ‘kracht’, got. gastaurknan ‘verstijven’. — Van idg. wt. *sterg vgl. perz. suturg (< *stṛgo) ‘sterk, groot’, lit. stregti ‘stijf worden, tot ijs bevriezen’ (IEW 1023). — Afl. van de wt. *ster, waarvoor zie: star. — Zie ook: strak.

Daar de wt. *(s)ter mobiele s heeft kan men misschien vergelijken gr. tórgōs ‘gier’ (zie: stork) en lat. tergus ‘harde rughuid van dieren’, tergum ‘rug’ (J. Schrijnen Ts 20, 1901, 317; met voorbehoud IEW 1023).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sterk bnw., mnl. starc, staerc, sterc. Voor de e uit a vgl. erg, scherp. = onfr., ohd. (nhd.), os. stark, ofri. sterk, ags. stearc (eng. stark), ozw. starker, on. sterkr “sterk” (en verwante bett.: “stijf, streng, groot”), germ. *starka-, *starku-, Oorspr. bet.: “stijf,stevig, vast”. Ablautend met on. styrkr m. “kracht”, styrkja “sterken”, ohd. ki-storchanên “obrigescere”, on. storkinn “verstijfd, gestold”, storkna “stollen”, got. gastaúrknan “verstijven”. Van een basis st(h)ereg- “stijf worden”, die uit st(h)er- (zie staar) verlengd is en waarvan ook nperz. siturg, suturg “sterk” kan komen. De combinatie met lat. turgeo “ik ben gezwollen” is niet wsch. Zie nog strak.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sterk bijv., Mnl. sterc, starc, Onfra. en Os. stark + Ohd. starc (Mhd. id., Nhd. stark), Ags. stearc (Eng. stark, starch), Ofri. sterk, On. sterkr (Zw. stark, De. sterk) + Lit. stregti = stijf worden, van Idg. wrt. sterg, Germ. wrt. sterk, een uitbreiding van wrt. ster (z. star 2).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sterk: duursaam; hewig; kragtig; groot in aantal; Ndl. sterk (Mnl. sterc/sta(e)rc), Hd. stark, Eng. stark, hou misk. verb. m. Pers. suturg, “groot; sterk”, vgl. verder Scho TWK/NR 7, 2, p. 29, asook Kloe HGA 117, 119; v. ook straks.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

sterks In de verbinding iets sterks tegenwoordig een algemeen bekende borrelnaam. Van Dale, die deze benaming sinds 1992 vermeldt, geeft als voorbeeldzin: ‘Wil je iets sterks bij de koffie?’ Sterk verwijst vanzelfsprekend naar sterke drank. Van oudsher werd van alcoholhoudende dranken en stoffen gezegd dat ze ‘sterk’ waren. In de Achterhoek wordt een borreltje wel een starken genoemd.
Vergelijk iets.

[Donselaar 213, 228; WNT XV 1514]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sterk houdt men verwant met star of ster (zie staren) = stijf; het woord w.d.z.: niet buigend, staan blijvende, weerstand biedende.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sterk ‘krachtig’ -> Lala ishiteliki ‘zeer, ontzettend’ ; Indonesisch setérek, stérek ‘krachtig, vol smaak’; Ambons-Maleis stèrk, istèrk, stèrek ‘gespierd, krachtig’; Kupang-Maleis sterek ‘krachtig’; Menadonees stèrèk ‘een stoer uiterlijk hebben’; Negerhollands stark, sterk, sterǝk ‘krachtig; geweld’; Papiaments stèrki ‘geconcentreerd; niet op z'n mondje gevallen (van een kind gezegd)’; Surinaams-Javaans Storku ‘plaatsnaam (Hecht en Sterk)’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † sterek ‘krachtig’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sterk* krachtig 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

172. Het zijn sterke beenen, die de weelde kunnen dragen,

d.w.z. in voorspoed gaat men zich allicht te buiten; Ndl. Wdb. II, 1305. Zie voor de 16de eeuw Campen, 10: Het moeten stercke beenen syn, die guede daghe verdraegen connen, waarmede te vergelijken is Goedthals, 43: De goede dagen canmen alder qualicst verdragen. In de 17de eeuw is de zegswijze zeer gewoon; zie o.a. Spieghel, 129; Cats I, 471; Van Moerk. 355; De Brune, Embl. 135; Asselijn, 279, enz. en vgl. verder Taalgids IV, 273; Harrebomée I, 40 a; III, 120; Waasch Idiot. 96 a; Wander I, 300: Es mussen starcke beyne seyn, die gute tagen konnen ertragen; fri. It binne sterke skonken dy't de weelde drage kinne.

1604. De natuur gaat boven (of is sterker dan) de leer,

d.w.z. ‘de aangeboren neigingen zijn sterker dan alle onderricht en vermaningen’; hd. Natur geht für Lehr; oostfri.: Natur geit aver d' Lehr (Wander III, 971). Een oud spreekwoord, dat in het mnl. luidt vore leringe gaet nature (vgl. Rose, bl. 251, vs. 142) en verder o.a. staat opgeteekend in de Prov. Comm. 542: natuere gaet boven leere; bij Servilius, 145*: natuer gaet voor leere; Campen, 18: die natuere gaet voor die leere; Sartorius II, 7, 90: naturam expellas furcâ, tamen usque recurretHoratius, ep. I, 10, 24; bij De Brune, Bank. I, 177: Drijft de natuyre met een vork uyt, zy komt al weder in uw huyd., de Natuer gaet voor de leer; Spieghel, 269; Tuinman I, 357; W. Leevend I, 139; Harrebomée I, 173 b; Ndl. Wdb. IX, 1608; Schotsch: nature passes nurture (Prick).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut