Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stereo - (ruimtelijk klinkend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stereo- voorv. ‘ruimtelijk’
Nnl. Stereometria, lichaam-metingh [1654; Woorden-schat], Stereometrie of Meet-Kunde [1740; iWNT], Stereoskopische daguerrotypen [1855; iWNT], Stereofotografie [1922; iWNT], maakt een stereofonische uitzending het mogelijk, diepte en geluidsrichting in het muzikale beeld te betrekken [1946; iWNT].
Internationaal wetenschappelijk voorvoegsel, gebaseerd op Grieks stereós ‘vast, stevig’, in wetenschappelijke teksten (o.a. bij Plato, Aristoteles, Euclides) ook wel ‘driedimensionaal, kubisch’. Het is deze tweede betekenis die in de moderne talen wordt gebruikt in wetenschappelijke begrippen met stereo- als eerste lid, maar zie → stereotiep. Het Griekse woord is verwant met → star.
stereo 1 bn. ‘ruimtelijk klinkend’. Nnl. in mono & stereo tape recorder [1950-75; ReclameArsenaal], dat je ... lekker stereo hoort [1970; iWNT], ook algemener ‘ruimtelijk’ in Met twee neuzen, bijvoorbeeld links en rechts, zouden we stereo kunnen ruiken [1986; Onze Taal]. Ontleend aan Engels stereo ‘ruimtelijk klinkend’ [1954; OED], verkorting van stereophonic ‘id.’ [1927; OED], gevormd uit het voorvoegsel stereo- en phonicm.b.t. geluid’. Ook wel zelfstandig gebruikt als stereo ‘het ruimtelijk klinken, stereofonie’, zowel in het Engels als het Nederlands. ♦ stereo 2 zn. ‘geluidsinstallatie waarmee ruimtelijk klinkend geluid ten gehore kan worden gebracht’. Nnl. in De hi-fi, de stereo, de transistor [1966; iWNT]. Ontleend aan Engels stereo ‘id.’ [1964; OED], verkorting van samenstellingen als stereogram (vero.) ‘id.’ [1958; OED], stereo equipment, stereo set, met stereo in de hierboven genoemde betekenis ‘ruimtelijk klinkend’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stereo- (Grieks stereo-)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Stereo- (Gr. στερεός (stereós) — hard, massief; in wiskunde: ruimtelijk, van drie dimensies). Eerste lid in samenstellingen met de laatste betekenissen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stereo ‘ruimtelijk klinkend’ -> Indonesisch stéréo ‘ruimtelijk klinkend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stereo ruimtelijk klinkend 1967 [R75]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut