Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stengel - (deel van een plant)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stengel [deel van een plant] {stenghel 1599} < middelhoogduits stengel, oudhoogduits stengil, verkleiningsvorm van hoogduits Stange [stang].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stengel znw. m., niet in het mnl. overgeleverd, os. ohd. stengil (nhd. stengel), mnd. stengel < germ. *stangila naast abl. ohd. stingil. — Zie verder: steng en stang.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stang znw., mnl. stanghe v. = ohd., os. stanga (nhd. stange), on. stǫng (gen. en mv. stengr) v. “staak, stang, stok”, germ. *staŋʒô- (-u-?). Hiernaast *staŋʒi-, ags. steng m. “id.” (eng. stang uit het Noorsch) en *slaŋʒiô(n)-, ndl. steng, Kil. mnl. stenghe. Hierbij nog stengel (niet uit ’t Mnl. bekend), ohd. stengil (nhd. stengel), os. stengil m. “stengel, staak”. De bett. herinneren aan de woordgroep van staak en daarom zouden we geneigd zijn naast idg. steg- “stijf, vast zijn” een synonieme basis ste(ŋ)gh- aan te nemen, waarvan eventueel ook gr. stókhos “wat opgericht is, opgesteld doel” en de bij staak genoemde balt.-slav. woorden zouden kunnen komen, verder lit. stíngstu, stíngti “stollen”, stangùs “weerspannig”, lett. stingrs “stijf, stram”. Maar met ’t oog op ags. stingan (eng. to sting), on. stinga “steken”, got. us-stagg (lees us-stigg?) “steek uit” kunnen we ook van een basis ste(ŋ)gh- (of ste(ñ)ĝh-) “puntig, stekelig zijn” uitgaan; dan kan gr. stákhus (a< ŋ) “aar, stengel” verwant wezen. Ook van deze basis zouden gr. stókhos en een deel der bij staak genoemde woorden kunnen komen. Zie nog steken, maar vooral staak.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stengel m., + Hgd. stengel: met e = ä dimin. van stang.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stengel, verkleinw. van stang, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stengel ‘deel van een plant’ -> Papiaments stèngel ‘deel van een plant; stelling; steiger’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stengel deel van een plant 1573 [Plantijn] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut