Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steken - (prikken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

steken ww. ‘prikken’
Mnl. steken ‘prikken; plaatsen, bergen’ in dar stac hi ... gwinerei bet sinen scachte ‘toen stak hij G. met zijn speer’, Onder de brugghe stac hi tscepelijn ‘onder de brug verstopte hij het scheepje’ [beide 1220-40; VMNW], dan steket sinen bec dies lanc jn derde ‘daarom steekt ze haar snavel dan langdurig in de grond’ [1287; VMNW], ook wel ‘aanwezig zijn’ in daer die pael steect ‘waar de paal staat’ [1297; VMNW] en ‘uitspitten’ in resch steken ‘zoden steken’ [ca. 1483; MNW].
Os. stekan (mnd. steken); ohd. stehhan (nhd. stechen); ofri. steka (nfri. stekke); alle ‘steken’, < pgm. *stekan-, alleen continentaal West-Germaans. Hiernaast staat on. steikja ‘aan het spit braden’ (ontleend als ne. steak ‘geroosterd stuk vlees’) < pgm. *staikjan-, dat erop duidt dat *stekan-, wrsch. door a-umlaut, van een nultrap *stikan- komt. Nadat de stamklinker -e- was geworden, is *stekan- van vervoegingsklasse veranderd. Een afleiding is het frequentatief pgm. *stek(k)ōn- ‘stekend bevestigen’, waaruit ohd./nhd. stecken ‘id.’, zie ook → stekker.
Pgm. *stikan- en *staikjan- zijn terug te voeren op de wortel pie. *(s)teig- ‘steken, spits zijn’ (LIV 592). Verwant zijn dan: Latijn īn-stīgare ‘prikkelen, aansporen’; Grieks stízein ‘steken’ (zie ook → stigma); Sanskrit ā-stig- ‘beschadigen, doorboren’; Avestisch stija ‘met de punt (van een tand)’. Maar ook denkbaar is de wortel *(s)tegh- ‘puntig zijn, steken’ (LIV 589), in welk geval Litouws stìg ‘blijven’ (oorspr. wel ‘blijven steken’) en Kerkslavisch o-stegnǫti ‘knopen; boeien aanleggen’ verwant zouden zijn. Niet uitgesloten is dat afleidingen van *steig- en *steg- elkaar naar de vorm hebben beïnvloed.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steken* [prikken] {1236} oudsaksisch stekan, oudhoogduits stehhan, oudfries steka, oudengels stician, oudnoors steikja [roosteren, eig.: aan het spit steken], gotisch stiks [steek]; buiten het germ. latijn instigare [aansporen, prikkelen], grieks stizein [steken], litouws stigti [blijven steken], oudindisch tejayati [hij scherpt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steken ww., mnl. stēken ‘steken, stoten’, os. stekan, ohd. stehhan (nhd. stechen), ofri. steka ‘steken’. De vervoeging wijst op een idg. wt. *steg evenals in stekel. Daarnaast stond echter een wt. *steig, vgl. lit. stingù, stìgti ‘blijven’, gr. stízō ‘steken’, lat. instigare ‘aanzetten’ en zonder begin-s oi. tejati ‘scherp zijn’ (IEW 1016-7). Er is geen aanleiding om het germ. ww. als voorbeeld van verandering van conjugatie-klasse te beschouwen, van oudsher stonden naast elkaar de wortels *steg en *steig, waarbij zich zelfs nog *steug laat voegen, waarvoor zie: stuiken (J. de Vries PBB 8o, 1958, 17). — Uit mnl. steken leidt men af ofra. pikard. estiquier, naast estichier en daarvan weer nfra. étiquette ‘in de grond gestoken stang van een net; kerf in een stuk hout; opschrift’ en vandaar verder ‘voorschrift, sociale regel’. — Zie verder nog: stikken en voor de gehele groep staak.

stekken 1 ww. (zuidnl.) ‘met een scherp voorwerp steken, prikken’, ohd. stecchen (nhd. stecken) zal eerder een affektievé -kk- hebben naast steken, dan dat men van een germ. *stakjan zou moeten uitgaan. — Het nnl. woord stekker ‘contactstop’ is ontleend aan nhd. stecker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

steken ww., mnl. stēken “steken, stooten”. = ohd. stëhhan (nhd. stechen), os. stëkan, ofri. stëka “steken”. Niet te scheiden van lat. in-stîgo “ik spoor aan”, gr. stízō “ik steek”, oi. téjate “hij is scherp, scherpt”, tigmá-, tiktá- “scherp”, waarbij sommigen nog russ. stegáť “stoppen, dicht-naaien, geeselen”, lit. stìgti “rustig ergens blijven” brengen. Men verklaart de flexie van wgerm. *stekan (praet. stak) wel door “ablautentgleisung”: waarschijnlijker echter is ’t – o.a. met ’t oog op got. staks (m.?) “wond” en de bij stekel genoemde vormen met a –, dat naast oergerm. stik- “steken” een synoniem stek-, stak- bestaan heeft, waarbij dan ook got. *stakjan enz. (zie bij staken) hooren kan. Van de basis germ. stek-, stak-, idg. steg-, stog- “puntig zijn, steken” (bezwaarlijk geheel van stig- te scheiden) kan staak nog komen (zie ook stek), verder russ. stegáť (ook anders verklaarbaar, zie hierboven); van idg. stig- komt ags. stician “steken, prikken, vast blijven zitten” (eng. to stick), wsch. ook stikken I en stikken II. Verwant met idg. st(e)i- (zie distel), ste-g-, st(e)i-g- “steken” kan ook idg. ste-(ŋ)gh- (ste-(ñ)ĝh-?) zijn (zie stang). Zie nog staak. Úit ’t Germ. ofr. estiquer, esticher “steken, vastmaken”, heneg. estiquete “spits houtje”, fr. étiquette “etiket”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

steken o.w., Mnl. id., Os. stekan + Ohd. stehhan (Mhd. stechen, Nhd. id.), Ofri. steka + Skr. wrt. tij, Gr. stízein, Lat. in-stigare (= ophitsen), Oier. tigom: Idg. wrt. stei̯g, die in het Germ. door den zw. gr. stik, stek, naar de e-klasse overging.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

2steek ww.
1. Deur 'n skerp voorwerp in te druk 'n wond of die dood veroorsaak. 2. Pyn in die liggaam ervaar, asof jy gesteek word. 3. Iets of iemand in die een of ander rigting stoot. 4. Iemand teen sy sin êrens bring of plaas (bv. in die tronk). 5. Iets prikkel of laat ontstaan (bv. 'n brand). 6. Met die naald werk, stik. 7. Iemand beledig, krenk. 8. Deur te spit met 'n graaf uithaal. 9. (plat) Geslagsgemeenskap hê.
In bet. 1 - 8 uit Ndl. steken (al Mnl. in bet. 1 - 5, 1643 in bet. 6, 1726 in bet. 7, 1566 - 1568 in bet. 8). Bet. 9 het in Afr. self ontwikkel, so genoem n.a.v. die in en uit beweging van die penis tydens geslagsgemeenskap wat herinner aan 'n naald waarmee gestik word. Volgens Kloeke (1950: 297) is die onreëlmatige Ndl. inf. steek i.p.v. steken reeds in 1750 in 'n Rotterdamse klug, Kees de Windbuyl, opgeteken, maar daar kan geen verklaring daarvoor gevind word nie. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1771 (Scholtz 1972: 167), waarna in Afr. by Changuion (1844).
Ndl. steken gaan o.a. met Oudsaksies stekan, Oudhoogduits stehhan, Middelhoogduits stechen en Oudfries steka terug op 'n Indo-Germaanse wortel steg- wat ook in stekel voorkom.
D. stechen (9de eeu), Eng. stitch (1225 in bet. 1, 1225 in bet. 6).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

steken (stak, heeft gestoken), (ook.) 1. prikken (ook met als onderwerp van de zin een voorwerp). Wie door een spijker gestoken is, doet een plakje lemmetje* met daarboven een cent* (kopersulfaat!) op de wond (May 40). - 2. bijten (van slang). - Etym.: AN s. = o.m. met een scherp, puntig voorwerp treffen (met persoon als onderwerp van de zin). Bij bet. 2 moet gedacht worden aan de priemvormige voortanden van vele slangesoorten. - Zie ook: prikken*.
— : zich steken, zich prikken, zich bezeren aan iets puntigs. Toen raapte zij de kapotte stukken op en ik moest de scherfjes wegvegen, want Ma Da mag zich niet eraan steken (Hijlaard 23). - Etym.: Zie steken*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

steek: s.nw. en ww., (lett.) prik; prikwond; (fig.) bedekte belediging, skimp; Ndl. steek (Mnl. stēke), Hd. stich, Eng. stitch, hierby Ndl. ww. steken (Mnl. stēken), Hd. stechen, Eng. stick – oor verbg. dop steek v. Scho TWK 14, 1, p. 33 en NR 7, 2, p. 28 oor verbg. baken steek, albei blb. v. Ndl. herkoms maar met ruimer gebr. in Afr.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

steken ‘aan steekspelen deelnemen’ (bet. van Oudfrans poindre)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

steken. In de Middeleeuwen komt voor van de moort gesteken. In de 16de eeuw treffen wij de verwensing dat u de moort steken moet (‘moge’). Wij kennen nu nog steek de rotmoord!; je mag me de moord steken! en vooral stik de moord! ‘loop naar de duivel, je kunt me de bout hachelen, stik, krijg een ongeluk’. Het werkwoord steken heeft hier de betekenis ‘slaan, treffen’. De verwensing betekent dus eigenlijk ‘de dood moge je treffen’. Als variant komt in Noord-Nederland voor pruim de moord!; je mag me de moord pruimen! Vgl. Stoett (1943: nr. 1552). De hedendaagse vloek ik wou dat dit brood in mijn keel bleef steken (als het niet waar is wat ik zeg) was oorspronkelijk een vrome wens, maar werd door oneigenlijk gebruik tot meineed, vloek en uitroep van verontwaardiging. Afkeer en minachting worden ook uitgedrukt door het volgende versje dat mij werd toegezonden door een zestienjarig meisje uit Twente: Mirror, mirror on the wall// Steek je vinger in een drol// Niet te diep en niet te schuin// anders wordt je vinger bruin! In Leiden kent men de verwensing steek maar in je hol/reet!, met als betekenis ‘donder op, bekijk het maar’. In Vlaanderen komen volgens Mullebrouck (1984) voor steek u in een zak, en bedank de wereld! en steek een kaars in uw gat dan hebt ge geen kandelaar nodig! Ook hier ligt de betekenis dicht in de buurt van ‘ik heb vreselijk het schurft aan je, donder maar op’. De vloek steek de emmer!, die ik in Willem van Iependaals Polletje Piekhaar [1935:199] noteerde, betekent zoiets als ‘hoepel op, ga weg’. Wat echter de letterlijke betekenis is van de emmer steken is niet duidelijk. Ik ga voorlopig uit van ‘de emmer onder iemand zetten om de ontlasting op te vangen’. Mogelijk is het een substituutvloek voor steek de moord! bobberd, emmer, keel, moord, stikken.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Steken, van den Germ. wt. stik, Idg. steig = scherp zijn; dus: prikken; vgl. ’t Gr. stigma (ons „stigmatisch” teekenen) = steek, punt. – Afl. is stekel: als werktuig. – Het werk blijft steken = haken, vastslaan met een haak of punt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

doorsteken ‘met een scherp voorwerp doorboren’ -> Negerhollands steek door ‘met een scherp voorwerp doorboren’.

doorsteken ‘een kortere weg nemen’ -> Negerhollands steek door ‘een kortere weg nemen’.

steken ‘prikken’ -> Engels ticket ‘korte, geschreven mededeling; toegangsbewijs’ ; Duits Etikett ‘label; omgangsvormen’ ; Duits Ticket ‘vliegtuig-, trein-, toegangskaartje’ ; Deens stikke tov ‘touw steken; touw vastmaken’; Deens stikke ‘prikken, insteken; graveren; gaan, snel bewegen; plotseling beginnen; stikken bij het naaien van stof; (slang) aangeven bij politie of overheid; (slang) geven’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens ticket ‘kaartje’ ; Deens etikette ‘label’ ; Noors stikke i sjøen ‘in zee steken’; Noors stikke tau ‘touw steken; touw vastmaken’; Noors stikke ‘prikken; ervandoor gaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds sticka ‘prikken’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans ticket ‘toegangskaartje; biljet van duizend oude francs’ ; Frans étiquette ‘label; omgangsvormen; iets wat iemand kenmerkt en hem tot een bepaalde klasse doet behoren’; Frans dialect † estechier, estequier ‘steken, inslaan; doorboren; met kracht slaan; zinken, geplaatst zijn in’; Italiaans etichetta ‘kaartje, label’ ; Spaans tíquet, tiquete ‘kaartje’ ; Spaans etiqueta ‘regels die gelden binnen koningshuizen of in het publieke of privéleven’ ; Portugees tíquete ‘bedrukt kaartje of stuk papier, dat wordt gecontroleerd door een door het gezag benoemd persoon bij het bezoek van een uitgaansgelegenheid, in het openbaar vervoer e.d.’ ; Portugees etiqueta ‘het geheel van ceremoniën aan het hof, bij een autoriteit e.d.; etiket, zegel’ ; Pools etykieta ‘papieren etiket om op te plakken’ ; Grieks etiketa ‘omgangsvormen’ ; Maltees tikketta ‘label’ ; Maltees etikett ‘omgangvormen; iets wat iemand kenmerkt en hem tot een bepaalde klasse doet behoren’ ; Maltees tikit ‘toegangsbewijs’ ; Maltees stiker ‘sticker’ ; Esperanto etiketo ‘hofceremonieel, geheel van omgangsvormen’ ; Esperanto etikedo, etiketo ‘etiket, label’ ; Turks etiket ‘label’ ; Koerdisch etîket ‘prijskaartje’ ; Perzisch etiket ‘welgemanierdheid’ ; Arabisch (MSA) tukūt ‘kaartjes (mv.)’ ; Arabisch (Irakees) tikit ‘kaartje’ ; Arabisch (Egyptisch) tikit ‘label; kaartje’ ; Negerhollands steek, stēk, stik, stek ‘wegsteken, verbergen’; Skepi-Nederlands stokwe ‘wegsteken, verbergen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

steken* prikken 1236 [CG I1, 28]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

628. Den gek steken met iemand (of iets).

Volgens het Ndl. Wdb. IV, 938 wil deze uitdrukking, die ook in het hd. voorkomt (den gecken stechen) eigenlijk zeggen: den gek tot voorwerp van zijn spot maken, door te doen alsof men hem stak, met een puntig werktuig trof. Boertende zegswijze, waaraan de voorstelling ten grondslag lag, dat men den gek, de dwaasheid, die in iemands hoofd zetelde, er als 't ware uit kon steken, en zoodoende iemand er van kon bevrijden. Vgl. de hd. zegsw. lass dir den gecken stechen, lass dich von deiner narrheit kuriren. Op eene soortgelijke aardigheid doelen de hd. zegswijzen den narren stechen, den esel stechen of bohren, en inzonderheid den narren schneiden, waarover het bekende vastenavondspel van Hans Sachs loopt.

Liever dan op deze wijze zou ik de uitdr. verklaren door versmelting van ‘den gek met iemand hebben’ en ‘den draak met iemand steken’ of zooals in de 17de eeuw ook voorkomt: den alf met iemand steken (Kluchtsp. II, 13) of in de 18de eeuw: den spot met iemand steken (Van Effen, Spect. VII, 151). Op dezelfde wijze kan ook het 17de-eeuwsche de guich met iemand (of iets) steken verklaard worden door versmelting van ‘iemand de guich (of huichSart. III, 9, 58.) na-steken’ (no. 634) en ‘den draak met iemand steken’.Ndl. Wdb. V, 1214.

1287. Iemand naar de kroon steken,

d.w.z. trachten hem de kroon, het teeken van overwinning en meerderheid (zie no 1284), te ontnemen; met hem wedijveren. Vgl. Hooft, Brieven, 472; Vondel, Gijsbr. v. Aemst. vs. 420; Salomon, vs. 420; Halma, 292; Sewel, 421: Iemand na de kroon steeken, to vie with one, en Kiliaen, die steken nae weergeeft door: ambire, captare, adspirare, eene beteekenis, die ontleend is aan het tournooi. Vgl. Mnl. Wdb. VII, 2057: Uit de bet. ‘steken naar eene krans’, d.i. ‘in een steekspel eene krans trachten af te steken’, heeft zich bij steken de beteekenis ontwikkeld van verlangen of streven naar. Vgl. Villiers, 69; hd. er sticht gewaltig auf einen Professor, d.i. er möchte gern Professor werden (Paul, Wtb. 512).

1552. Steek (of stik) de moord,

of je mag me de moord steken, ook stik de moord wil zeggen: loop naar den duivel, je kunt me de bout hachelen (zie no. 333), stik, krijg een ongeluk, of eene dergelijke ruwe verwensching. Het ww. steken heeft hier de bet. van slaan, treffen, waarmede het in vroegere geschriften afwisselt; 16de eeuw de moort die de perde slaet naast de tale (eene ziekte) die de verkene stect. De uitdr. wil dus eig. zeggen: de moord, de dood moge je treffen, slaan. In het mnl. komt van de moort gesteken reeds voor (zie Mnl. Wdb. VII, 2053); in de 16de eeuw als verwensching dat u de moort steken moet (moge); ook in 't passief ic wilde hij ware de moort gesteken (Everaert, 270). Door eene onjuiste opvatting van ‘iemand’ als onderwerp in de uitdr. iemand steke de moord kreeg de moord steken den zin van sterven. Dit geschiedde in de 16de eeuw blijkens Corn. Everaert, 537: Hy zoude my liever de moort steken waert myn man, eer ict verdrougheZie meer voorbeelden in Ndl. Wdb. IX, 1108.; vgl. verder Tuinman I, 319: Dus is 't een godlooze vloek: Dat u de moord steke, te weten de schielijke dood met zijnen pyl. Men zegt, Hij is de moord gesteken. Dat is kromtaal. In dezen zin is de zegsw. blijven voortleven in de ruwe volkstaal; zie Köster Henke, 46: de moord steken, om 't leven komen; steek de moord, krijg een ongeluk; O.K. 56: De moord zal jelui steken, misselijke jakhalzen; M. de Br. 209: Laat ze de moord steken; Landl. 123: Verrek jij, val dood, stik de moord; Diamst. 318: Steek de moord en lek me de maarsch (vgl. no. 604); Menschenw. 393; Jord. II, 128; Peet, 172; Nachtkr. 7; Grond. 335: O, daar hei je haar ook, dat akelig dier zal ook de moord steken; Slop, 89: Hij kon voor zijn part de moord stikke, die menheer!; Jord. 59: Stiek jei nau gauw de maurd! schreeuwde de koffiepikster terug; bl. 86: Met een giftig.... steik de maurd!.... liep ze 't winkeltje uit; V.d. Water, 109: steek de moord, loop naar de hel, naast steek de marinemoord. Afrik. Hy het die moord gesteek. Ook in Zuid-Nederland is bekend: ik wenschte dat hij de moord stake (De Bo, 712); zie verder Schuermans, 389In Prol. 16: ‘Met et hoog-zij (zie no. 1052) op, en 'n staande steek demoord om z'n magere hals’, wordt een ‘vadermoorder’ bedoeld.. Als variant komt in Noord-Nederland voor pruim de moord! je mag me de moord pruimen!

1745. Iemand overhoop (loopen, schieten, steken).

In het Middelnederlandsch werd over hoop gebruikt in de beteekenis van ter neder, omver, ‘welke zich bij het begrip vallen geleidelijk uit die van te zamen, de eene hoop op den anderen ontwikkelt’; bijv. Lanc. II, 38800: (Hi) reetter daer vive over hoop, dat si daer vielen metten perde sere gequetst op die eerde; Mnl. Wdb. III, 579; V, 2178. Voor lateren tijd zie Ndl. Wdb. XI, 1763; vgl. ook hd. jem. über den Haufen schieszen.

2187. Een stok(je) voor iets steken,

d.w.z. iets beletten, tegenhouden, doen ophouden; waarschijnlijk heeft men hier te denken aan een stok, die als grendel dienst doet, waardoor eene deur of een hek gesloten kan worden; vgl. in Twente: de deure op 'n stok doen; Harreb. II, 309 a: wij zullen er een stokje bij stekenSamensmelting van er een stokje voor steken en er een speldje bij steken., een speldje bij steken; Molema, 404 a: d'r 'n stikje bie steken, er mee ophouden of doen ophouden; Ganderheyden, Groningana, 62 b: d'er 'n stokje veur steken; Dievenp. 120; 136; Falkl. VII, 175; Nkr. III, 28 Maart p. 2; IX, 29 Mei p. 2; VII, 4 Jan. p. 2; 1 Nov. p. 3 (er een stokje bij zetten); Maasbode, 21 Aug. 1913 1ste bl. p. 1; Het Volk, 21 Januari 1914 p. 2 k. 1; B.B. 384 (er een stikje voor steken); enz. Eckart, 503; oostfri. d'r 'n stik för steken; ên 'n stikke steken, jemand hemmend in den weg treten; nd. doa will'n w'r doch 'n Pricken vörschloân (Eckart, 416); het hd. einen Pflock davor stecken; Woeste, 256 a: da well ik em en stöcksken vör steken (setten); eng. to put in the pin. In Zuid-Nederland: ergens (ievers) een spel(le) voor speten (of steken) naast ievers eenen stek veur steken (Schuermans, 654 a; De Bo, 1068 b; Antw. Idiot. 1154); Maastricht: urreges e schejke veur sleete (Breuls, 86).

2293. De(groote) trom roeren

Vgl. nog De Amsterdammer, 30 Aug. 1924, p. 1 k. 1: Het comité de politique nationale bleef de groote trom wel roeren, maar deze kermistent trok weinig publiek.

of op de groote trom slaan, eig. door middel van het slaan op een (groote) trom de aandacht wekken; fig. iets alom, vooral in couranten en op vergaderingen, bekend maken; met veel drukte en ophef van iets gewagen; vgl. iets aan de groote klok hangen (no 1184); fr. faire battre le tambour, publier qqch; battre la grosse caisse, reclame maken; De Arbeid, 9 Mei 1914, p. 1 k. 3: Moeten ook de modernen niet evengoed als wij bij een staking op de groote trom slaan om aan centen te komen? 11 April 1914, p. 3 k. 4: Laat men met de a.s. Paaschdagen en daarna flink op de groote trom slaan. Geld is op heden de ziel van den strijd; Nkr. VII, 29 Dec. p. 5: Geen nood, de groote toovenaar (Dr. A. Kuyper) hoe roerde hij de trom en tooverde het bedenkelijk punt tot deel van Gods ordening om; De Telegraaf, 28 Nov. 1914 (avondbl.), p. 9 k. 2: In dezen tijd slaat ieder op de trom; Kippeveer, I, 48: Ik heb niet op de groote trom geslagen; Nw. School, VII, 361: En dan komt weer de een of andere lastige rustverstoorder en die roert er de trom over; De Kampioen, XXXI, 118: Toch ging het toentertijd veel gemoedelijker dan thans; er kwamen veel minder menschen bij te pas en de groote trom werd er niet voor geroerd; Handelsblad, 2 Juni 1915, p. 2 k. 6: Al gaat men nu niet met de groote trom rond, toch zal het zaak zijn voor Duitschland de stille verontwaardiging van Amerika niet te bot te woord te staan; De Vrijheid, 28 Mei 1924, 3de bl. k. 2: De kerkelijke partijen hadden geducht de anti-socialistische trom geroerd; Haagsche Post, 13 April 1918, p. 417 k. 4: En wat hem tot een hoogst beminnenswaardig kunstenaar maakt: hij heeft nooit de groote trom der reclame geroerd. Syn. de trompet steken, vgl. o.a. Handelsbl. 6 Juli (O) 1924, p. 9 k. 2: Van de reclametrompet over Pola gestoken, kan men alles zeggen, behalve dat hij schor was; vgl. fr. faire sonner la trompette.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut