Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stek - (loot; vaste plaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stek zn. ‘loot; vaste plaats’
Mnl. stecke ‘grenspaal’ [1240; Bern.], ‘palissade, omheining’ in Die stecken van desen tune sal wesen heileg hope ‘de steunpalen van deze omheining worden gevormd door heilige hoop’ [1290-1310; MNW-P], ‘nagel, bout’ in Die coorden sloechmen mit coperen stecken in die eerde ‘de koorden zette men met koperen pinnen vast in de aarde’ [ca. 1425; MNW], verder ‘staak, steel’ [1477; Teuth.] en ‘afgepaalde ruimte’ in Eene stecke, daer noch hende noch beghin in es ‘een ruimte waarin een einde noch een begin is’ [1485; MNW]; vnnl steck ‘stam, stronk, stok(je), staak’ [1574; Kil.]; nnl. ‘jonge loot om te planten’ [1659; WNT].
Os. stekko ‘staak, stok’ (mnd. sticke(n) ‘puntige stok, grenspaal’); ohd. stecko ‘staak, puntige stok’ (nhd. Stecken ‘stok’); nfri. stek ‘hek, staketsel’; oe. stecca in geoc-stecca ‘balk van een juk’; < pgm. *stekkan-. Hiernaast staan nfri. stikke ‘houten pin om iets aan vast te leggen’ en oe. sticca ‘stok, pin’ (ne. stick); < pgm. *stikkan-.
Stek is een afleiding van het werkwoord pgm. *stek(k)ōn-, Hoogduits stecken ‘stekend bevestigen’. dat een frequentatief is bij → steken.
Uit de betekenis ‘omheining van staken’ is bij overdracht ontstaan de betekenis ‘afgepaalde ruimte’, zoals in houtstek ‘houtopslagterrein’, waaruit ‘vaste plaats’, zoals in visstek. Tegenwoordig is het woord vooral in gebruik als aanduiding van ‘jonge loot om te planten’.
stekken ww. ‘stekken in de grond steken’. Nnl. eene welbekende handelwijze der tuiniers om planten te vermenigvuldigen, namelijk door stekken [1863; iWNT]. Afleiding van stek ‘jonge loot om te planten’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stek* [loot] {in de persoonsnaam Woutre Stecke 1210-1240, stec [staak, stok] 1201-1250} oudsaksisch stekko, oudhoogduits steccho, oudengels sticca; van steken, kreeg in het nl. de huidige engere betekenis.

stik2* [afgesneden tak om te poten] {stick 1599} dial. nevenvorm van stek.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stik 1 znw. gewestelijke vorm voor stek.

stek znw. m., mnl. stecke, stec m. ‘paal, stok, pin’, os. stekko, ohd. steccho m. ‘paal, stok, knuppel’, oe. sticca m. ‘stok, pin, lepel’ (ne. stick), on. stikk n., stikka v. ‘stok, staak’. De vorm met affectieve -kk- staat naast andere met -k- zoals ohd. stehho ‘staf’, on. stika v. ‘stok, lengtemaat’, stik o. ‘stok, paal’. — Zie verder: staak en steken.

Er is geen reden om van een andere wt. als *steg uit te gaan, ofschoon IEW 1016-7 de wortel *steig als grondvorm aanneemt. Overigens konden deze in bepaalde vormen door elkaar lopen, zie ook: steken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stek II (bergplaats; vooral in samenst.: hout-stek) znw. o., niet bij Kil. (= laat-mnl. stecke als synoniem van bāne?), is hetzelfde woord: voor de bet. vgl. o.a. stapel oorspr. “paal, stok, stut”, dan ook “stellage, stapelplaats” en eng. stocks “werf”.

stek I znw., mnl. stecke, stec m. (v.; o.?) “paal, stok, pin”. De bet. van nnl. stek onder invloed van steken; dial. nog andere bett. = ohd. stëccho (nhd. stecken), os. stëkko m. “paal, stok, knuppel”, ags. sticca m. “stok, pin, lepel” (eng. stick), waarnaast on. stikka v. “stok, staak”. Bij steken. Het vocalisme wijst op oergerm. idg. i; echter is ’t mogelijk, dat in het ndl., ohd., os. woord met *stikkan- een woord *stekkan- is samengevallen, dat evenals ohd. stëhho (zie staak) zou teruggaan op een vóórgerm. *stegon-, *stegn-. Uit ’t Germ. it. stecca “stokje”, stecco “stekel, stift”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stek. Over idg. *stign- als grondvorm voor germ. stikk- zie bij bakken Suppl. 1e alin. Nog minder aannemelijk is de verklaring van de geminatie door w (F.A.Wood Post-consonantal w 122, onder verwijzing naar lat. stîva ‘ploegstaart’, dat hij — ten onrechte — uit *stîgwâ wil verklaren, en instinguo ‘ik spoor aan’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stek 1 v. (loot), Mnl. stecke + Hgd. stecken. Eng. stick: van steken; vergel. stang en stok. Hieruit Fr. étiquette. In voet bij stek bet. stek meet, grenspaal.

stek 2 o. (bergplaats), hetz. w. als stek 1; de bet. zijn: stok, stellage, bergplaats; cf. Eng. stock = voorraad.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stiggie: – steggie – , inlêlootjie/-stokkie v. plant; Ndl. stek (Mnl. stec(ke), by vRieb stecq, (mv.) stecken), Hd. stecken, Eng. stick, hou verb. m. ww. steek (iets wat i. d. grond gesteek word).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stek, van steken: het jonge lot, dat men in den grond steekt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stek ‘loot’ -> Indonesisch seték, sték ‘loot, afgesneden takje dat men in een andere plant of in de grond steekt om er een nieuwe plant uit te laten groeien’; Javaans dialect setèk ‘loot’; Papiaments stèk, stèki ‘loot’; Surinaams-Javaans setèg ‘loot’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stek* loot 1659 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut