Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steil - (sterk hellend; star)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

steil bn. ‘sterk hellend; star’
Mnl. steil ‘sterk hellend’ in Die berch was steil dar dander laghen ‘de berg waar de anderen lagen was steil’ [1285; VMNW]; nnl. steile begrippen ‘ontoegankelijke ideeën’ [1810; Weiland], steil ‘ontoegankelijk, hooghartig’ [1835; iWNT].
Mnd. steil ‘koppig, trots; hovaardig’; ohd. steigal ‘steil’ (nhd. steil); oe. stǣgel ‘steil’; < pgm. *staigila- ‘steil’. Een afleiding bij de wortel van → stijgen, met wegval van de intervocalische -g- zoals in → dweil.
Volgens NEW is het woord overgenomen uit het Duits, maar de vroege vindplaats duidt eerder op een zelfstandige ontwikkeling. Te vergelijken is ook het bn. mnl. steygher ‘steil’ [1477; Teuth.] dat met een ander suffix is afgeleid van dezelfde wortel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steil* [sterk hellend] {1285} maar de ei is ontstaan uit ege, vgl. peil < pegel, dweil < dwegel en middelnederlands stegel [gang, pad], middelnederduits stegel, oudhoogduits steigal, oudengels stægel [steil]; van stijgen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steil bnw., mnl. mnd. steil (> nhd. steil) is ontstaan uit grondvorm *staigila, vgl. mnd. stēgel, ohd. steigal, oe. stægel van het ww. stijgen. Men kan nog vergelijken mnl. steigher, Teuth. steyger, oe. wiðerstæger ‘steil’, on. steigurliga ‘overeind in de stijgbeugel’ en de korte vorm Kiliaen stijgh, steegh, steigh ‘steil, hellend’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

steil bnw., mnl. steil. = mnd. steil; vandaar laat-mhd., nhd., de. steil, zw. stel “steil”. Men stelt dit woord gew. gelijk met ohd. steigal, mnd. stêgel “id.”, os. *stêgal, -il “id.” (stêgili o.? “steile plek”), ags. stæ̂gel “id.” en een betere verklaring is niet gegeven. Bij stijgen, evenals Teuth. steyger, ags. wiðer-stæ̂ger “steil”, on. steigurliga bijw. “overeind (in den stijgbeugel staande)” en de kortere woorden stijgh, steegh, steygh “steil, hellend” bij Kil., mnl. reeds steighe; maar Teuth. styck, ohd. stëhhal, stëckal enz. “steil” bij steken: zie stekel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

steil. Zw. stel is nòch ontleend uit, nòch verwant met het mnd. woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

steil bijv., Mnl. id. + Ohd. steigal (Mhd. steigel, steil, Nhd. steil), Ags. stæ'gl: van denz. stam als ’t enk. imp. van stijgen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Steil (Mhd. steigel), afl. van stijgen: wat in de hoogte gaat, wat loodrecht is. Dat het woord inderdaad oudtijds steigel was, blijkt nog uit ’t Veluwsche stik, voor stikkel, zooals een Hgd. dialect luidt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

steil ‘sterk hellend; star’ -> Deens stejl ‘sterk hellend; koppig’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors steil ‘sterk hellend; koppig’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

steil* sterk hellend 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut