Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steigeren - (op de achterbenen gaan staan (van paarden))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

steigeren ww. ‘op de achterbenen gaan staan (van paarden)’
Onl. stēgeren ‘stijgen, opklimmen’ in sie steigerent iethogh gerno mit hiro gelouvan ‘ze klimmen toch graag op met hun geloof’ [ca. 1100; Will.]; in het Middelnederlands niet geattesteerd; dan vnnl. de afleiding steygeringe ‘stijging’ [1560; iWNT], Het steyghert en het briescht ‘het (paard) steigert en het briest’ [1612; iWNT ongezond].
Mnd. steigeren ‘verhogen, hoger maken’; mhd. steigern ‘verhogen’ (nhd. steigern ‘verhogen’).
Frequentatief bij het zwakke werkwoord steigen ‘doen stijgen’ (bijv. in vnnl. het water steygen ‘het water opstuwen’ [1573; Thes.]) < pgm. *staigjan-, een causatief bij → stijgen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steigeren* [op de achterbenen gaan staan (van paarden)] {1586 in de betekenis ‘verhogen’} causatief van stijgen met iteratiefvorm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steigeren ww., sedert Kiliaen steygheren ‘stijgen, bestijgen’, maar ook ‘verheffen, hoger maken’ vgl. laatmhd. steigern (1354 in Beieren, dan in 15de eeuw in md.) is een iteratief van ohd. mhd. steigen ‘iets doen stijgen’, causatief bij stijgen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

steigeren ww., sedert Kil.: steygheren “(be)stijgen”. Misschien bij Teuth. steyger “steil” enz. (zie steil). Of = Kil. steygheren “verheffen, hooger maken”, dat evenals nhd. steigern (md. reeds 15. eeuw), mnd. stei(g)eren “id.” een afl. is van Kil. steyghen, steeghen, mhd. steigen “id.”, een causativum van stijgen: NB. Kil. steyghen, steeghen beteekent ook “(be)stijgen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

steigeren. Hd. steigern reeds 1354.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

steigeren o.w., + Hgd. steigern: causat. met frequent. vorm van stijgen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2steier ww.
1. Op die agterpote orent staan. 2. Onder moeilike omstandighede ly. 3. Waggelend op die voete bly.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. steigeren (1852 in bet. 1, 1864 in bet. 2). Bet. 2 kan egter, soos bet. 3, 'n leenbetekenis wees van Eng. stagger (1579 in bet. 2, 1530 in bet. 3), wsk. omdat Eng. stagger vormlik en in uitspraak aan Ndl. steigeren herinner. Ndl. steigeren hou verband met stijgen 'styg'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

steigeren ‘op de achterbenen gaan staan (van paarden)’ -> Zweeds stegra (sig) ‘verhogen, opvoeren, vergroten’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

steigeren* op de achterbenen gaan staan (van paarden) 1839 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut