Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steevast - (bestendig)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

steevast bn., bw. ‘bestendig’
Laatmiddelnederlands stedevast (1395) ‘vaststaand, bestendig’, in Holland ook stadevast (ca. 1400), Nnl. stedevast (1567) ‘voortdurend’, stedevaste (1592), met klankwettige d-wegval steevast (1509), stevaste (1581). Samenstelling uit stede, de gebruikelijke variant van stad ‘plaats’ in het Middelnederlands, en het bw. vast, Mnl. vaste. De letterlijke betekenis was ‘vast op zijn plaats’, vergelijk andere Mnl. samenstellingen op -vast met dezelfde opbouw, zoals beddevast bn. ‘bedlegerig’, ertvast bn. ‘in de aarde vastzittend’, naghelvast ‘spijkervast, vast aan een spijker’, stantvast(e) ‘in zijn stand blijvend’.
In de oudste bronnen is stedevast vaak predicaat bij blijven of wonen, bijv. ter afsluiting van een oorkonde uit Steenwijk uit 1395: Ick … wil dat dit stedevast ende onghebroken blive. Als attributief bn. komt steevast in het Nederlands pas sinds het einde van de 19e eeuw voor (in andere talen soms vroeger, bijv. al in het Oudengels).
Verwante vormen: Middelnederduits stedevast, Oudfries stedfest bn. ‘bestendig’, Oudengels stedefæste bn. ‘bestendig, die zijn mannetje staat’, MoE steadfast, Oudijslands staðfastr ‘standvastig’. Die kunnen voor een deel op onderlinge ontlening berusten (bijvoorbeeld, het Fries en het IJslands zouden de samenstelling naar Middelnederduits voorbeeld gevormd kunnen hebben), maar het Oudengelse woord doet toch een gemeenschappelijke voorouder vermoeden, Proto-Germaans *stadi-fastu- ‘vast op zijn plek’. De latere Mnl. woorden zoals beddevast kunnen stedevast als primair model gehad hebben. Ook het feit dat stedevast al in de oudste attestaties niet meer letterlijk gebruikt wordt voor ‘vast op zijn plaats’, maar overdrachtelijk voor ‘bestendig’, kan (maar hoeft niet) op hogere ouderdom wijzen. In het moderne Nederlands vormt honkvast min of meer de letterlijke voortzetting van ‘plaats-vast’. Het is pas vanaf 1902 aangetroffen, hoewel honck al vanaf de 15e eeuw bekend is.
[Gepubliceerd op 07-05-2015 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steevast* [bestendig] {stadevast(e), stedevast 1401-1450} het eerste lid is middelnederlands stedestee.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steevast bnw., mnl. mnd. stēdevast, oe. stedefæst (ne. steadfast) ‘op de plaats vastblijvend’. Het 1ste lid is stede, terwijl on. staðfastr van de vorm stad is afgeleid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† steevast bnw. = mnl. mnd. stēdevast, ags. stedefæst (eng. steadfast) ‘blijvend, bestendig, vast’. Het On. heeft staðfastr ‘id.’ Zie ook stede, stee Suppl.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

steevast* bestendig 1401-1450 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut