Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steen - (stuk harde delfstof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

steen zn. ‘stuk harde delfstof’
Onl. stēn ‘steen’ in toponiemen, bijv. Stenaccra ‘Steenakker (Oost-Vlaanderen)’ [768-814, kopie 941; Gysseling 1960], en in an steine irrhodis tu mi ‘jij tilde mij op een rots’ [10e eeuw; W.Ps.], in samenstellingen, bijv. stenstrata ‘bestrate weg’ [1124; ONW], sliipsteen ‘slijpsteen’ [1159-64; ONW], querensteen ‘maalsteen’ [1199; ONW]; mnl. steen [1240; Bern.].
Os. stēn (mnd. stēn); ohd. stein (nhd. Stein); ofri. stēn (nfri. stien); oe. stān (ne. stone); on. steinn (nzw. sten); got. stains; alle ‘steen’, < pgm. *staina-.
Verwant met Kerkslavish stěna ‘stenen muur’ (Russisch stená), maar het Slavische woord kan ook een ontlening aan het Germaans zijn. Verdere herkomst onduidelijk. Men kan pie. *stoi-n- reconstrueren, bij een wortel stei- ‘hard zijn of worden’. Andere woorden die hiermee meestal in verband worden gebracht, gaan in alle gevallen terug op verlengingen van deze wortel: Sanskrit styā́yate ‘wordt hard’ < pie. *stieH- (LIV 603); Grieks stía ‘steentje’ < pie. *stiH-ieh2-; pgm. *stīfa- ‘stijf’ < pie. *stei-p- (zie verder → stijf).
stenigen ww. ‘met stenen doodgooien’. Onl. stēnen in Thar wart her gesteînot ‘daar werd hij gestenigd’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. meestal nog stenen, daarnaast ook steynighen [1477; Teuth.]; vnnl. steenen, steenigen [1573; Thes.]. Afleiding van steen, aanvankelijk met de infinitiefuitgang -en, later vervangen door het achtervoegsel → -igen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steen* [harde delfstof] {oudnederlands stein 901-1000, middelnederlands steen, stein} oudhoogduits stein, oudsaksisch, oudfries stēn, oudengels stān, oudnoors steinn, gotisch stains; buiten het germ. oudkerkslavisch stěna [muur]; van dezelfde stam als stijf. Het motief van de uitdrukking steen en been klagen [geweldig klagen] vinden we o.a. bij de Romeinen, die het Iovem lapidem iurare kenden, het zweren van de duurste eed bij een steen in de tempel van Jupiter. De Germanen zwoeren na de invoering van het christendom bij de grafsteen van een heilige of bij het stenen altaar, waaronder vaak het gebeente van een heilige lag. Het is mogelijk, dat ‘klagen’ het oude ‘zweren’ is gaan vervangen. De uitdrukking steen des aanstoots [wat ergernis geeft] is ontleend aan I Petrus 2:7 en Jesaja 8:14.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steen znw. m., mnl. steen m., onfrank. stein, os. stēn, ohd. nhd. stein, oe. stān (ne. stone), ofri. stēn, on. steinn, got. stains m. — osl. stěna ‘muur’, een n-afl. bij gr. stía, stĩon ‘steentje’, oi. styāyati ‘stollen, hard worden’. — Idg. wt. *stāi ‘dicht maken, stoppen; stollen’ (IEW 1010-1011), die zelf wel een afl. zal zijn van *st(h)ā, waarvoor zie: staan.

Daarvan zijn verder afgeleid:
met dentaal zie: mnl., mnd. stīde, ofri. stīth, oe. stīð ‘stijf, hard, sterk’
met labiaal zie: stijf en stiepel
met r zie: nhd. stier ‘starend’, oostfri. stīr ‘stijf, star’, on. stīra ‘staren’, vgl. lit. styrstù, styrti ‘stijf worden’, lat. stīria ‘ijspegel’, gr. stéar ‘talk’
met m zie: mhd. stīm, steim ‘gewoel, menigte, on. stīm ‘onrust, lawaai’.
Wat de dialectische vormen aangaat vgl. L. Geenen, Taaltuin 6, 1937-8, 174-176 met taalkaartje voor de vormen steen, stien, stin. Volgens K. Heeroma, Holl. Dialektstudies 1935, kaartjes 1 en 24 reikt stien vóór 1500 van Holland uit tot aan de Maas en het Gooi, maar heerst nu in NHolland benoorden het IJ, langs de kust en in Aalsmeer.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

steen znw., mnl. steen m. = onfr., ohd. (nhd.) stein, os., ofri. stên, ags. stân (eng. stone), on. steinn, got. stains m. “steen”. Verwant met obg. stěna “wand”, wsch. verder met gr. stīa, stīon “steentje”. Onzeker is de afl. van de basis stî-, stejâ- “stijf, hard worden”, waarvan mnl. (nog vla.), mnd. stîde, ofri. stîth, ags. stîð “stijf, hard, sterk” (zie nog stijl I), oi. styā́yate “hij stolt, wordt hard”, lat. stîria “bevroren droppel”, gr. stéar “talk”, lit. styrstù “ík word stijf” komen en waarvan men ook nog allerlei andere woorden afleidt. Hoogerop is deze basis met st(h)â- (zie staan) verwant. Zie nog stijf. — Steen- in steenrijk e.dgl. is een uit samenstt. als steen-hard geabstraheerd versterkend prefix. Evenzoo in andere talen, bijv. on. stein-blindr. Vgl. stok-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

steen. Gr. stéar heeft ā.
Of de basis *stī̆- enz. met die van staan verwant is, zij in het midden gelaten (vgl. steel Suppl.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

steen m., Mnl. id., Onfra. stein, Os. stên + Ohd. stein (Mhd., Nhd. id.), Ags. stán (Eng. stone), Ofri. stén, On. steinn (Zw. en De. sten), Go. stains + Gr. stía = kei, Osl. stěna = muur, verder bij den wortel van stijf. — Iem. den (eersten) steen werpen naar Joh. VIII, 7; steenen voor brood naar Matth. VII, 9; steen en been, superlatief naar b.v. steen en been zweren, wat zinspeelt op de steenen altaarplaat met heiligenbeenderen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stein (zn.) steen; Aajdnederlands sten <768-814>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

steen (de, stenen), (i.h.b., hist.:) stenen droogvloer voor koffie op een koffieplantage. Op de oude koffieplantages vindt men gewoonlijk een droogplaats, steen genaamd. Vaak is deze vlak voor de directeurswoning aangelegd (Enc.NWI 569).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

stein 'stenen gebouw, burcht'
In het Duitse taalgebied een karakteristiek grondwoord voor burchtnamen. Betekende oorspronkelijk 'rots', later ook 'stenen gebouw' (vroeger een opvallende zeldzaamheid) en weer later 'burcht, kasteel, statig huis'. De feodale mode om burchten een naam op stein te geven is afkomstig uit het middenwesten van Duitsland (Pfalz en Moezelstreek) en werd in Nederland door de Utrechtse bisschoppen overgenomen en verbreid. De bloeiperiode van de Duitse stein-namen viel in de 12e eeuw. De Nederlandse plaatsnamen zoals → IJsselstein, →Drakenstein, → Hagestein, → Loevestein, → Ravenstein en → Stein2 zijn jonger (13e-14e eeuw). De stein-namen komen overwegend voor in Utrecht (28%), Zuid-Holland (23%) en Gelderland (20%) (percentages op basis van stein-namen in Van der Aa)1 en stein in plaats van het klankwettige steen wijst op culturele uitstraling vanuit Duitsland en Zuid-Limburg (zie → Stein1).
Lit. 1BCN 26 (1972) 66.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Geen steen op de andere laten, alles vernietigen; (fig.) tot het uiterste gaan in het veranderen van iets.

'Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken', zegt Jezus terwijl hij zijn discipelen op de tempel van Jeruzalem wijst (Matteüs 24:2, NBG-vertaling; de NBV heeft 'geen enkele steen'). Jezus bedoelde dit zowel letterlijk -- Jeruzalem zou verwoest worden -- als figuurlijk -- niets zou hetzelfde blijven. Beide betekenissen komen nog steeds voor, maar het is de vraag of de bijbel als enige bron beschouwd moet worden aangezien het een universeel beeld lijkt te zijn.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 214, 1-3. Ouer waer seggic di dat die dage selen comen, in welken dat men eenen steen op den andren nin sal laten liggen, die nit gedestrueert en sal werden.
Tot slot werd elk Philips-onderdeel afzonderlijk beoordeeld op zijn winstgevendheid. In wezen bleef geen steen op de andere. Verliesgevende activiteiten en divisie-onderdelen gingen de deur uit. Veel interne diensten werden verzelfstandigd. (NRC, apr. 1995)

Stenen voor brood geven, iemand afschepen met iets onbruikbaars in plaats van iets waardevols. Ook zonder werkwoord gebruikt.

De nog maar weinig gebruikte uitdrukking stenen voor brood geven gaat terug op Jezus' woorden over gebedsverhoring in Matteüs 7:7-10: 'Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven?' (NBV). De betekenis van de uitdrukking is duidelijk: iemand iets geven waarom hij niet gevraagd heeft en dat in de gegeven situatie onbruikbaar voor hem is.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 50, 27-29. Wie es van v allen din sijn kint bidt broet, ende hem ouer broet sal gheuen enen steen? Ende din sijn kint bidt enen visch, ende hem ouer enen visch sal gheuen enen serpent?
Een brood is brood en stenen zijn van steen. / Hij die het ene weggeeft voor het ander / zal hongerend in de koude blijven staan. (G. Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985 (Brood en spelen, 1961) p. 929)
Ik heb dus niets op met psychoanalytisch mensbeeld; ik begrijp dat het als een bevrijdende doorbraak en als een tegenwicht werd ervaren, maar het is uiteindelijk stenen voor brood. (De Groene Amsterdammer, 30-9-1981)

Aanstoot, iets waaraan men zich stoot; (fig.) persoon of zaak die ergernis of morele verontwaardiging wekt. Steeds in de volgende uitdrukkingen.
Aanstoot geven, morele ergernis opwekken.
Aanstootgevend, ergerniswekkend, kwetsend.
Aanstoot nemen aan, zich ergeren aan; als kwetsend beschouwen.
Steen des aanstoots, iets waaraan men zich ergert, oorzaak van ergernis.

In de bijbel is aanstoot nog een voorwerp waar mensen zich aan kunnen stoten, en wordt bijvoorbeeld in de wetten aanbevolen geen aanstoot voor een blinde te plaatsen: 'Du salt voor den blinden gheen aenstoot setten' (Deux-Aesbijbel (1562), Leviticus 19:14). In figuurlijke zin kunnen ook personen een aanstoot, een bron van ergernis, worden genoemd, bijvoorbeeld als Jezus tegen Petrus zegt dat deze hem een aanstoot is (Matteüs 16:23, in de Statenvertaling (1637) en in de NBG-vertaling). Nu wordt het woord alleen nog in bovengenoemde verbindingen gebruikt, waarvan die met nemen pas jong is. De NBV beperkt zich tot de verbindingen met geven en nemen.

Statenvertaling (1637), Filippenzen 1:10. Op dat ghy oprecht zijt, ende sonder aenstoot te geven
[Iemand kan onder curatele worden gesteld onder andere als hij zich schuldig maakt aan drankmisbruik waardoor hij o.m.] in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft [enz.]. (Art. 378, Juridisch corpus, 1958)
[Over een musicaluitvoering:] Vrijmoedig, vulgair, aanstootgevend, fantasierijk, gedurfd. Het zijn enkele van de vele kwalificaties die we in de pauze en na afloop hoorden. (Meppeler Courant, sept. 1995)
NBG-vertaling (1951), Matteüs 26:33. Petrus antwoordde en zeide tot Hem: Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit!
Ze namen aanstoot aan het feit dat de prinses een politiek zo geladen onderwerp aanroerde. (De Standaard, dec. 1995)
Statenvertaling (1637), Jesaja 8:14. Dan sal hy [u lieden] tot een heylichdom zijn: maer tot een steen des aenstoots. (De Liesveldtbijbel (1526) heeft hier aenstotens.)
Borst baseerde haar boosheid op een circulaire [...]. De steen des aanstoots is een passage in de circulaire die de indruk kan wekken dat apothekers zouden kunnen blijven rekenen op een deel van de kortingen. (NRC, 29-9-1999, p. 3)
Tegen de Noordamerikanen / tegen de Middenamerikanen / het kan me niet meer schelen / wil ik mijn stem / tot een steen des aanstoots / verheffen. (N. Scheepmaker, De Gedichten, 1991 (Tegen de Oostduitsers, 1950-1957), p. 404)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

steen. In de 16de en 17de eeuw komt de formule bij de godsige stenen voor. Daarnaast noteerde men bij W. Ogier bij gans steenen sonder pruimen. Ik laat hier gaarne De Baere (1940: 107-108) in een aangepaste spelling aan het woord: “De vorm stenen kan zeer goed door de gewone voorvoeging van de eind-s van Godes zijn ontstaan. Maar met de stenen kunnen toch ook de dobbelstenen bedoeld zijn, door het werpen waarvan de soldaten de kleren van de gestorven Christus onder elkaar verdeelden. Of moeten we denken aan de steen, de rotsen uit de hof van Olijven, waarop Christus water en bloed zweette en zijn vader bad, de lijdenskelk van Hem te verwijderen? Een paar eeuwen geleden vereerde men inderdaad korreltjes van die rots als relikwie. Persoonlijk zijn we in het bezit van een relikwiekruisje waarin, benevens een Evangelie van den H. Joannes, een lapje linnen en een lapje zwart krip zijn gesloten en een tiental korreltjes zandsteen vastgehecht. Binnen in het kruisje zit ook een strookje papier met de volgende woorden in 16de-eeuws schrift: ‘de la pierre, sur lacquel nostre Seigneur seuea sang et eau’. Dergelijke relikwieën zullen wel niet schaars zijn geweest. Worden met onze uitdrukking zulke stenen bedoeld? Willems brengt de formule in verband met een eed ‘uit het Noorden’, waar men bij aan de godheid gewijde zaken, ook ‘bij de heilige stenen’ zwoer, zo schrijft hij, wat dat de betekenis bij Gods heilige stenen zou geven, met een reminiscentie aan het heidendom. Uit deze eed kan dan ook wel de grappig bedoelde uitdrukking van Ogier zijn ontstaan, benevens het andere grappig gewilde o bloedt van keyselstiens, waarin dan een contaminatie van gans bloed en gans keyselstiens. De misschien uit tenen geboren stenen zijn dan tot kiezelstenen geworden, net als bij Ogier tot pruimstenen, maar dan stenen zonder pruimen!” Te overwegen is wellicht ook dat bij Gods stenen een variant is van bij Gods steunen ‘bij het steunen of kreunen van Christus (aan het kruis)’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

steen ‘harde delfstof’ -> Noord-Sotho setena ‘baksteen’ ; Tswana setena ‘baksteen’ ; Xhosa sitena ‘baksteen’ ; Zoeloe sitini ‘baksteen’ ; Zuid-Sotho setene ‘baksteen’ ; Javaans setin ‘knikker’; Petjoh rooie steen ‘baksteen, klinker, gravel’; Negerhollands steen, stēn, stin, sten ‘harde delfstof; stenigen’; Berbice-Nederlands ten ‘harde delfstof’; Skepi-Nederlands stene ‘harde delfstof’; Papiaments stenchi ‘edelsteen, halfedelsteen’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) sten ‘harde delfstof’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

steen* harde delfstof 0918-948 [Künzel]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

stenen: de — uit de grond rijden, wieleruitdrukking voor ‘in een hoog tempo fietsen’.

Maar hoe zit het nou met het rijden van die Once-ploeg? Nog niet zo lang geleden reden al die kerels de stenen uit de straat. (Nieuwe Revu, 30/07/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

22. Steen des aanstoots.

Deze uitdrukking is ontleend aan 1 Petr. 2 vs. 7 en Jes. 8 vs. 14. Op de eerste plaats wordt Christus een steen des aanstoots, een rots der ergernis genoemd, op de tweede heet God voor Juda en Israël een steen des aanstoots, een rotssteen der struikeling; mnl. een stotinghe over te vallen. De oorspr. beteekenis is dus een steen, waaraan men den voet stoot, maar altijd figuurlijk gebezigd voor: oorzaak of reden van ergernis. Vervolgens beteekent de uitdr. ook de persoon of zaak, die aanstoot of ergernis geeft; vgl. mnl. een steen der stotinge (fig.); Pelgrimage 110 c: Si was in enen schonen wegh een aenstoot om alle lude te doen an te stoten; Reyn. II, 4153: Als ic der werelt ward gemeen, so vindic so veel steen in minen wech; zie Ndl. Wdb. I, 373; Plantijn: Steen des aanstoots, pierre de choppement, ou aheurtement, lapis offensionis; Winschooten, 296; Harreb. I, 3 a; fr. une pierre d'achoppement; hd. ein Stein des Anstoszes; eng. a stumbling-stone.

560. Een ezel stoot zich niet tweemaal aan denzelfden steen,

d.w.z. iemand, die eens iets nadeeligs heeft ondervonden of eene fout heeft begaan, zorgt wel, dat dit geen tweede maal geschiedt. Te recht merkt Tuinman I, 370 op: Dat hebben wij van de Latynen. Asinus ad lapidem non bis offendit eundem. Zy zijn dan dwaazer dan ezels, die zich niet wachten voor dat geene, waar by zy zich eens qualyk bevonden hebben. Vgl. ook Cicero de Orat. 3, 41, 166: Neque me patiar iterum ad unum scopulum ut olim classem Achivam offendere; in het Grieksch: δις προς τον αυτον αισχρον προσκρουειν λιθον. Zie Otto, 186 en vgl. Vondel's Leeuwendalers, vs. 767:

Een ezel stoot maer eens zich aen den zelven steen.
De mensch wel zevenmael, en denckt niet om zijn been.

Harrebomée I, 188 a; III, 180 b; Wander I, 862: ein Esel stösst sich nicht zweimal an denselben Stein.

988. Een huishouding van Jan Steen,

een huishouding, waar de grootste wanorde heerscht, regel en netheid ontbreken; eig. een huishouding, waarin het, als bij Jan Steen, onordelijk toegaat, zooals men op een door hem zelf vervaardigde schilderij kan zien; Molema, 182 b: een boudel van Jan Stijn. Vgl. J. Campo Weyerman, Vr. Tuchtheer, 83: Een Jan Steens bedurve huyshouding; Janus, 131: Dat was een stukjen van Jan Steen! Je leven zoo niet! ho! ho! dat heet huishouden! Syn. is een huishouding van (moei) Kea (vgl. Molema, 193; V. Janus III, 11: Het huis van Keja), waarvan de oorsprong onbekend isIn Navorscher V, 203; Harreb. I, 346 a en Woordenschat, 553 wordt aan herkomst uit het Maleisch gedacht. Het zou ontleend zijn aan de taal der matrozen, die op Java de Maleiers de Chineezen (d.i. orang-kee) orang-kéa hoorden noemen..

1674. Iets onderste boven gooien (of smijten),

d.i. wat het onderst ligt naar boven, bovenop gooien, iets overhoop gooien; mnl. dat op neder werpen of dat op dat neder werpen. Vgl. voor het Mnl. Denkm. III, 200, 11: Het wart gheleit doverste steen daer donderste lachVgl. Al kwam de onderste steen boven (o.a. in Mensçhenw. 31; 518).; Froissart, 146: Twaer beter dat Gent ommekeert waere ende dat dat onderste van der stede upperste lageAangehaald in het Mnl. Wdb. V, 428-429.; Hooft, Ged. I, 93, 27: Wat geldt mij naem en eer? of dat jck Priams stadt het onderst boven keer? Halma, 405: Alles het onderste boven smijten, mettre tout sans dessus dessous; evenzoo bij Sewel, 548; Antw. Idiot. 1928: alles leet er 't onderste boven; Waasch Idiot. 472. Ook wordt in Loquela, 352 een znw. onderstebovenheid vermeld in den zin van ‘tegenspoed’; fri. de boel ûnderst-boppest helje, den boel overhoop halen. Hiernaast in de 17de eeuw het bovenste onder (of naar beneden) keeren, - werpen; het bovenste raakt onder; zie Ndl. Wdb. X, 1474; III, 908 en vgl. Vondel, Lucifer, 2811: Wat blyft 'er in zyn' stant? het bovenste raeckt onder. In 't fr. mettre une chose sens dessus dessous.

1832. Op een gloeiende plaat vallen,

eig. als een druppel water op een gloeiende plaat vallen (Harreb. I, 158), ook dat valt op een gloeienden of heeten steenVgl. Harreb. I, 360: Het valt op een' heeten steen (of op gloeiend ijzer); Brederoo II, 97 vs. 2390: Ick salder ten minsten een kinnetje of ses vaantjes inschieten. Ick heb brangt in myn keel, en een gloeyende steen in myn borst.... ik heb so onnatuurlycken dorst!, d.w.z. er is groot gebrek of behoefte aan; eig. gebezigd van een verkwikkenden dronk, doch meestal van geld, hetwelk men ontvangt op een oogenblik, dat men er juist zeer om verlegen is, en dat spoedig weer op is. Vgl. Tuinman I, 116: Haast ziet men den bodem van eene haalkan, byzonderlyk, wanneer de drinker een vonk, of exteroog, in de keel, en grooten dorst heeft, zo dat het valt als op een heeten steen; zie ook bl. 122; Nkr. IX, 6 Maart p. 6: We hadden het zoo bitter, bitter noodig. Wat een mooie mantelpakken stuurde je niet! Wat een flinken regenmantel! Och, 't viel altijd op een gloeiende plaat.

2164. Een rollende steen vergaart geen mos,

d.w.z. iemand, die niet lang op dezelfde plaats blijft of zich niet lang bij 't zelfde ambacht of vak houdt, kan geen vorderingen maken, komt niet vooruit; immers ‘blijven doet beklijven’. De zegswijze is in zeer vele talen bekend; ook in het mlat. assidue non saxa legunt volventia muscum; non petra muscatur, quae se mutando gravatur; raro lapis tegitur musco, qui sepius ambit (Werner, 51; 84; Erasmus, CCII); vgl. Campen, 34: Een steen die men heen en weder wentelt, bewasset selden; Gruter, I, 103: Een wentelende steen, wert niet moschachtig; Cats I, 502: Wees in 't verhuysen niet te los, een steen die rolt, en gaert geen mos; De Brune, 66; 95; 380; Bank. I, 58; Harreb. II, 104; III, 299: Een rollende steen gaart geen mos; enz. Voor andere talen zie Wander IV, 808 vlgg.

2165. Steen en been klagen,

d.i. zeer luid, zeer heftig klagen, putten in de eerde klagen, steenen uit den grond klagen, zooals men o.a. in Zuid-Nederland zegt; fri. stien en bien kleye. Vgl. Afrik. hy kla steen en been; hd. Stein und Bein schwören; nd. Stên und Bên flôken; lat. Jovem lapidem jurare; mnl. stoc ende stene sweren; bloet ende sweet sweren (bij het bloed en het zweet van Christus); up die (of ten) heilighen swerenMnl. Wdb. III, 270; VII, 2005; 2510.. De Germanen zwoeren bij heilige steenen, later na de invoering van het Christendom bij den grafsteen van een heiligeNoordewier, 427; Grimm, Rechtsalterth.4 II, 547. of bij het altaarSchrader, 342; Ducange, 3, 1608-1609: elevatis manibus super altarium jurare., dat van steen is en waarin zich thans nog altijd een steen bevindt, waaronder gebeente van een heilige ligt. In navolging van deze formule steen en been zweren, dat is zweren bij al wat heilig is, kon dan later gezegd zijn steen en been klagen, jammerenLexer verklaart stein und bein door totes und lebendiges; Grimm I, 1383 omschrijft stein und bein schwören door ‘einen hohen eid leisten, fest, wie stein und bein; Weise, Unsere Muttersprache (1895), 100, zoekt den oorsprong in dezelfde richting als boven: ‘Wie die Römer Jovem lapidem iurabant, wobei der Stein als Sinnebild des Juppiter galt, so auch die Deutschen. Als dann nach Einführung des Christenthums die Gebeine der Heiligen zu Zeugen angerufen wurden, entstand die aus heidnischer und christlicher Anschauung hervorgegangene Schwurformel ‘Stein und Bein schwören’. Zie ook Günther, 98 en Paul, Wtb. 69 die bij Stein und Bein denkt aan ‘Altar und Knochen eines Heiligen’..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut