Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steel - (stengel; lang handvat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

steel zn. ‘stengel; lang handvat’
Mnl. stele, steel ‘lang handvat’ in haecstele ‘bijlsteel’ [1285; VMNW], alse die lilie altoes grune es an haren stele ende an haren bladeren ‘zoals de lelie altijd groen is van stengel en van blad’ [1290-1310; MNW-P].
Oe. stela ‘stengel’ (ne. vero. steal); < pgm. *stelan-. Hierbij hoort wrsch. ook Frankisch *stalo, waarvoor zie → staal 2 ‘proefmonster’. Nhd. Stiel ‘steel, stengel’ (ohd. en os. stil) is niet verwant, maar ontleend aan Latijn stilus ‘spits voorwerp’, zie → stijl 1.
Wrsch. verwant met Grieks steleós ‘steel van een werktuig’ en horend bij de wortel van → stellen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steel* [stengel] {stele, steel 1344} naast ablautend middelnederlands stale, stael {1287} (vgl. staal3), oudengels stela, oudnoors stjǫlr [staart, stuit], ablautend oudsaksisch, oudhoogduits stollo [stut]; buiten het germ. grieks steleā [steel], lets stulms [boomstam], verwant met stellen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steel znw. m., mnl. stēle m., oe. stela, steola m. ‘steel, stengel’ < germ. *stělan. Hiernaast *stelu in on. stjǫlr m. ‘staart’, nnoorw. dial. stjøl, styl ‘ondereind van een schoof’. Vgl. ook de PN. Stilico. — Daarnaast staan met abl. staal 1 en os. ohd. stollo m. ‘onderstel, stut’ (nhd. stolle, stollen) met -ll- door wegval van een laryngaal (volgens L. L. Hammerich PBB 77, 1955, 177). — gr. stélechos ‘eind van een stam, stomp’ stélos ‘balk’, steleón ‘steel’, arm. steln ‘stam, stengel’ (IEW 1019). — Zie verder: stal, stil, stoel en stollen.

De idg. wt. *stel, waarnaast *sthel, vgl. oi. sthálatī́ ‘hij staat’, sthála-, sthalī- ‘verhevenheid, bodem’ is afgeleid van de onder staak genoemde wortel *st(h)e. — Verdere afl. zijn:
met d zie: stelt, stout
met b zie: mnl. mnd. stolpe, me. stülpe on. stolpi ‘balk’
met g zie: on. stilkr ‘stengel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

steel znw., mnl. stēle m. = ags. stëla, steola m. “steel, stengel”, germ. *stelan-. Hiernaast stelu-, noorw. dial. stjøl “stengel”, on. stjǫlr m. “staart”. Hierbij nog ozw. stiælke, noorw. dial. stjelk, stelk “stengel”. Met ablaut staal I en Teuth. stoll, ohd., os. stollo m. “onderstel, stut” (nhd. stolle, -en) met ll uit ln (minder wsch. met ll uit ðl bij po. szczudło “houten been” gebracht). Van een idg. basis st(h)el-, st(h)ol- “staan, vaststaan, steunen”, waarvan buiten ’t Germ. gr. steleós “steel”, stéllō “ik maak klaar”, opr. stallit “staan”, arm. stełem “ik plaats”, oi. sthálati “hij staat” (Dhâtupâtha), sthála-, sthalī́- “verhevenheid, bodem”, misschien ook lat. stolo “uitlooper uit den wortel van planten”, stolo “dwaas” (*“blok” of *“staak”?): zie echter stelen. De basis st(h)el- is met st(h)â- (zie staan) verwant. Zie nog stoel, stal, stil, stelt, stollen, en ook stonde. Ohd., os. stil (nhd. stiel) in “steel” is bezwaarlijk met steel, staal I verwant; eer is ’t uit lat. stilus “id.” ontleend. [On. stilkr m. “stengel” zou dan een jonger skand. woord zijn, in verband met noorw. dial. stalk, stelk “id.” te beschouwen. Zie nog stijl I.]

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

steel. Over mogelijke verwantschap van de hier besproken idg. basis *st(h)el- met die van staan is het veiliger geen uitspraak te doen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

steel m., Mnl. stele + Ags. stela = steel, On. stjǫlr = staart: abl. bij staal 3; verder verwant met stal, stil, stoel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

steel ‘stengel’ -> Frans dialect stièle ‘staak voor bonen’; Sranantongo steil ‘stengel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

steel* stengel 1344 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1227. De kolf naar den bal werpen,

d.w.z. het opgeven, den moed verliezen; fr. jeter le manche après la cognée. Bij Sartorius III, 6, 54: de kolf na de bal werpen; 10, 9: ick hebbe de kolf na de bal geworpen; bij Winschooten, 116: ‘de Kolf werpen naa de Bal, is een spreekwoord, waar meede beteekend werd, sig soo wel ontblooten van het een als het ander, het spel gewonnen geeven.’ Zie nog Brederoo, Sp. Brab. vs. 159; Tuinman 1, 178; Harreb I, 29 en vgl. de bijl naar den steel werpen of den steel naar de bijl werpen (Halma); eng. to send the axe after the helve or to throw the helve after the hatchet; hd. der Axt den Stiel nachwerfen. Vgl. Joos, 102; Waasch Idiot. 186 b: de naald bij (of achter) den verloren draad smijten.

2475. Weten hoe de vork in (of aan) den steel zit,

d.i. eig. weten hoe de hooivork in den steel zit; overdr.: weten hoe de zaak in elkander zit, hoe de toedracht der zaak is. In de 17de eeuw komt de uitdrukking o.a. voor bij Smetius, 204; Spaan, 45: De moer zond dan door dezelve boden brieven wederom, hoe de vork in de steel stond; bl. 281: Alzoo het Wyf niet naliet bekend te maken hoe de vork aan de steel stond; Middelb. Avant. 113: Toen merkte ik, hoe de vork in den steel stak. Hiernaast in de 18de eeuw bij Tuinman I, 343: Men moet zien hoe de herk aan den steel staat, dit wil zeggen, men moet op den toestand der zaak acht geven; zo plegen hooyers te zien, of hunne herken, die zy gebruiken moeten, los of vast aan den steel staan, om in hun werk niet belemmert te worden; Spect. IX, 60: Dan kan ik zelf zien hoe de vork in den steel steekt; in C. Wildsch. IV, 194: Hooren, hoe de vork in den steel zit; Harreb. I, 285 a; Cam. Obsc.19 bl, 62; Dievenp. 121; B.B. 326; Het Volk, 29 Juli 1915 p. 1 k. 2: Wethouder Vliegen vertelde precies hoe de vork in den steel zat. In het fri. sjen ho't de foarke yn 'e stok (of stâlle) sit; Twente: weten hoo de schuppe of de harke an 'n stel zit; afrik. weet hoe die vurk in die steel (hef) steek (sit); oostfri.: weten, ho de harke in de stêl sit, den Zusammenhang der Dinge kennen und demgemäsz eine Sache richtig anfassen (Dirksen I, 108); nederd. he wêt, wo der Forke im Stêl stickt (Eckart, 571). Ook in Zuid-Nederland: weten hoedat de vörk in de(n) steel zit (Antw. Idiot. 2141) naast weten waar het verken vast is (Schuerm. 787 b; Antw. Idiot. 1336Deze zegswijze ook in Pamfl. Muller, 630 r (anno 1608).) of waar het peerd gebonden ligt (Antw. Idiot. 1962). Vgl. het eng. to put the axe in the helve, een moeilijkheid oplossen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut