Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steek - (driekantige hoed)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Ziekteverwekkende demonen

In het verleden schreef men het optreden van ziekten en kwalen toe aan demonen en boze geesten. Zo verhaalt de Griekse bard Homerus dat de oorlogsgod Apollo door het afschieten van pestpijlen een pestepidemie over het Griekse leger bracht. In verschillende bijbelpassages slaat God of de duivel de mensen voor straf met ziektes. In Lucas 13:11 is bijvoorbeeld sprake van “een vrouw die al achttien jaar bezeten was door een geest die haar ziek maakte”. Een krankzinnige heette al aan het eind van de dertiende eeuw bezeten; mettin viant beseten wil zeggen: ‘door de duivel bezeten’. Ook in andere ziektenamen zien we een oud geloof in ziekteverwekkende demonen terug.

Spit
Een onverwachte heftige pijn in de rug heet al sinds 1567 spit. Een spit is eigenlijk een puntige ijzeren staaf. De ziektenaam verwijst naar de oude mythische voorstelling dat de pijn veroorzaakt wordt door de steek van een kwaadaardig wezen, een heks of demon: de pijn voelt aan alsof een onzichtbaar wezen onverwacht met een spit in iemands rug steekt. Een vergelijkbare benaming is zweepslag. En denk ook aan de man met de hamer.
In Nederlandse dialecten wordt spit ook wel heksenschot, heksenscheut, lendeschot of kortweg schot genoemd. De verbreiding van de dialectnamen is te zien op het kaartje op deze bladzijde, afkomstig uit het boek Ziektenamen in de Nederlandse dialecten van dialectoloog A. Weijnen (1995). De Engelse benaming elf-shot, letterlijk ‘elfenschot’, de Duitse naam Hexenschuß (‘heksenschot’) en de Noorse namen hekseskot (‘heksenschot’), trollskot (‘trollenschot’) en alvskot (‘elvenschot’) bewijzen dat de demonische oorsprong van spit al dateert uit de tijd van de Germanen.
De namen scheut (van pijn) en steek (in de zij) gaan terug op het hetzelfde geloof in boze wezens die de mens pijn berokkenen. Scheut is een afleiding van het werkwoord schieten, en steek komt natuurlijk van steken, net als het Duitse equivalent Stich. Het Engelse stab (‘pijnscheut’) is afgeleid van een ander werkwoord, maar vertoont dezelfde betekenisontwikkeling.

Beroerte
Met beroerte duidt men een herseninfarct aan, een plotselinge toeval of verlamming, veroorzaakt door een bloeduitstorting in de hersenen. In deze betekenis is het woord voor het eerst in 1667 vermeld. Het woord beroerte bestond al in de Middeleeuwen, maar toen had het een ruimere betekenis, namelijk ‘onlust, oproer’ – denk aan de naam van het beroemde gerechtshof van Alva: de Raad van Beroerten.
De ziektenaam beroerte is afgeleid van beroeren (‘aanraken’), en bewijst dat men in het verleden veronderstelde dat een beroerte ontstond als gevolg van de aanraking door een demon. Dit geloof blijkt ook uit verschillende dialectbenamingen voor de ziekte, zoals geraaktheid, en beslag, sjlaag en geslegenheid. De laatste drie woorden zijn afleidingen van slaan en geven dus het geloof weer dat de ziekte optreedt door een slag of klap van een hogere macht. “Dese ziekte wordt by ons (...) Apoplexie, Beroertheydt, oft Godts-handt, ghenaamt”, vermeldt de letterkundige Jacobus Viverius in 1665.
In plaats van beroerte wordt sinds het einde van de negentiende eeuw in het Nederlands ook het Franse leenwoord attaque gebruikt, dat letterlijk ‘aanval’ betekent. Kennelijk zagen de Fransen in de ziekte het optreden – een aanval – van een demon. In Nederlandse dialecten is het leenwoord attaque verkort tot aantak of tak (ook komt voor: tak van een beroerte).

Aanval
Ook het Nederlands kent het metaforische gebruik van aanval voor een plotseling opkomende, kortdurende aandoening: een aanval van koorts (of kiespijn, jicht of griep). Het idee dat een ziektedemon de mens aanvalt of overvalt, is al te vinden bij de Grieken. De Griekse ‘vader der geneeskunde’ Hippocrates gebruikt de term epilèmptikos voor ‘aan vallende ziekte lijdend’; Aristoteles spreekt van epilèptikos. Beide vormen zijn afgeleid van het Griekse werkwoord epilambanein, dat onder andere ‘aanvallen’ betekent. De Griekse naam is al eind dertiende eeuw in het Nederlands overgenomen: “Want si een kint in haren dagen Vercregen hadde (…) Dat met epilemsien was” (‘Want zij had een kind gekregen dat aan epilepsie leed’).

Griep
Demonen toonden hun krachten op verschillende manieren: niet alleen door mensen te schieten of te steken, aan te raken of aan te vallen, maar ook door hen vast te pakken of te vangen. Het Franse grippe, dat we in de negentiende eeuw als griep hebben geleend, is afgeleid van het werkwoord gripper, dat vroeger de betekenis ‘grijpen’ had, en tegenwoordig ‘blokkeren, doen vastlopen’ en van stof ‘doen plooien’ betekent.
Een synoniem voor grijpen is vangen. Dit vinden we in het werkwoord bevangen ‘overmeesterd worden door een ziekelijke aandoening’. Tegenwoordig zijn het vooral duizelingen die mensen bevangen, maar vroeger zei men ook: een hoest (of ziekte) beving hem. In Vlaamse dialecten spreekt men nog van vang en hartvang voor ‘hartinfarct’ of ‘angina pectoris’.
Het moge duidelijk zijn: hoewel de medische kennis inmiddels fors is toegenomen, zijn de sporen van het oude volksgeloof in de Nederlandse ziektebenamingen nog volop aanwezig.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2013), ‘Demonische ziekten’, in: Onze Taal 7/8, 208.]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steek* [driekantige hoed] {1807} vgl. hoogduits Dreispitz; te verklaren door de punten die uitsteken. De uitdrukkingen iemand een steek onder water geven [hem bedekt iets onaangenaams zeggen] in de 17e eeuw een schoot onder water krijgen wilde eig. zeggen een schot onder de waterlijn oplopen als het schip op de andere zijde ligt. De uitdrukking steek houden [aanneembaar zijn] is waarschijnlijk ontleend aan uitgesleten laken, dat geen draad meer kan houden. De uitdrukking geen steek betekent waarschijnlijk ‘geen punt’. Ten slotte staat in de steek laten misschien voor het steken (in het gevecht) < hoogduits im Stich lassen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steek znw. m., mnl. stēke m. v., os. stiki ‘steek, punt’, ohd. stih (nhd. stich) m., ofri. stek, steke, oe. stice (ne. stich) ‘steek’ got. stiks m. ‘punt’ < germ. *stiki-, waarvoor zie: steken.

De bet. ‘driekante hoed’ (eerst na Kiliaen) zal blijkens fra. chapeau à cornes, nhd. dreispitz te verklaren zijn door de uitstekende punten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

steek znw., mnl. stēke m. v. = ohd. stih (hh, nhd. stich) m. “steek”, os. stiki m. “id., punt”, ofri. stek, steke, ags. stice (eng. stitch) m. “steek”, got. stiks m. “punt”, germ. *stiki-. Bij steken. — Steek “driekante hoed”, nog niet bij Kil., is wsch. ’t zelfde woord. Evenzoo steek in geen steek, in den steek laten, steek houden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

steek v. (in alle bet.), Mnl. steke + Hgd. stich: verbaalabstr. van steken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1steek s.nw.
1. Stoot of prik met 'n skerp voorwerp, en die daardeur veroorsaakte wond. 2. Die deurhaling van 'n naald en gare of wol in en uit deur materiaal. 3. (Skielike) skerp pyn in die liggaam. 4. Pynlike toespeling, verwyt.
Uit Ndl. steek (al Mnl. in bet. 1, 1706 in bet. 2, 1726 in bet. 3, 1726 - 1727 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. steek gaan met Middelnederduits steke, Oudsaksies stiki, Oudhoogduits stih, Middelhoogduits stich, Oudfries stek(e), Oudengels stice en Goties stiks 'punt' terug op 'n Germ. wortel *stiki-.
D. Stich (10de eeu), Eng. stitch (voor 1100 in bet. 1, ongeveer 1300 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

steek: s.nw. en ww., (lett.) prik; prikwond; (fig.) bedekte belediging, skimp; Ndl. steek (Mnl. stēke), Hd. stich, Eng. stitch, hierby Ndl. ww. steken (Mnl. stēken), Hd. stechen, Eng. stick – oor verbg. dop steek v. Scho TWK 14, 1, p. 33 en NR 7, 2, p. 28 oor verbg. baken steek, albei blb. v. Ndl. herkoms maar met ruimer gebr. in Afr.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

steek ‘het steken, prik; laatste slag bij een kaartspel; knoop in een touw waardoor een lus wordt gevormd’ -> Deens steg ‘stiksteek’; Zweeds stek ‘soort knoop’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins teeki ‘soort knoop (zeemansterm)’ <via Zweeds>; Frans † stecq ‘laatste slag bij een kaartspel’; Russisch štyk ‘(zeemansterm) knoop, kabelsteek’; Bulgaars štik ‘scherpe bovenkant van een geweer, mes voorop het geweer, bedoeld voor man tegen mangevechten’ <via Russisch>; Oekraïens štik ‘(zeemansterm) knoop, kabelsteek’ <via Russisch>; Indonesisch setik ‘stiksteek, toegepast bij het naaien’; Soendanees sĕtik ‘stiksteek, toegepast bij het naaien’; Papiaments stek (ouder: steek) ‘naaisteek; (verouderd) messteek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

steek* driekantige hoed 1807 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2159. Iemand een steek (onder water) geven,

d.w.z. iemand zijdelings eene onaangenaamheid zeggen; een bedekte toespeling, die voor iem. onaangenaam is; met vuilte gooien (op Goerée en OverflakkeeN. Taalgids XIV, 253.); iemand een bokking geven (Winschooten, 286), een zinknoot (Boekenoogen, 1263), hem iets zeggen, dat hem pijnlijk aandoet. Vgl. Plantijn: Yemanden met schampige woorden steken, piquer aucun de parolles. In de 17de eeuw reeds vrij gewoon; zie o.a. Poirters, Mask. 184: een steeckje geven; verder Van Effen, Spect. IV, 208; C. Wildsch. I, 14; Halma, 607: Hy gaf hem eenen steek van ter zijden, hij gaf hem eene drooge neep, il lui donna un coup fourré; en V. Janus, 3, 15. Synoniem was de uitdr. iemand een scheut (schootje) geven, een - krijgen, dat o.a. voorkomt bij Hooft, Ged. I, 137; De Brune, Wetst. I, 6; 344; Ndl. Wdb. XIV, 541. Bij Winschooten, 235: ‘Een schoot onder water krijgenBij Witsen, 492 wordt dit een gront schoot genoemd; vgl. ook Spaan, 157. word eigendlijk gebruikt omtrent de schepen, die in het rijsen van de baaren, en als het onderste der schepen booven water komt, van een koogel aldaar getroffen werden; het welk seer gevaarlijk is; oneigendlijk werd het op iemand gepast, die van een ander een drooge bokking krijgt, dat juist van de bijstanders soo niet gemerkt kan werden: dog die het raakt, die steektse bij sig’ (zie ook bl. 126). Vgl. verder Halma, 565: Scheut, schimp, steek, un coup de peigne, un brocard; een scheut onder water, een heimelijke streek, un lardon, un brocard. Uit eene dooreenmenging van deze twee uitdrukkingen iemand een schot onder water geven en iemand een steek geven (hd. jem. einen Stich geben) ontstond nu een steek onder water geven. Ook kende men in de 17de eeuw een duw (in 't wammes) of een dwarsstreek krijgen; vgl. in het hd. Seitenhieb; eng. a side-thrust; Winschooten, 299; Van Effen, Spect. IX, 177; Tuinman I, 199; V. Schothorst, 205. Zie verder Schuermans, 674 b en 683 b: een sneê, een onrechtstreeksch verwijt, schaard; De Bo, 840: iemand eenen pek geven (in het Antw. Idiot. 950: pek, slaag); Waasch Idiot. 574 b: scheuten onder 't water geven; bl. 732: dat zijn slagen onder 't water, bedekte verwijten; Molema, 241: lempers geven; bl. 394: spiekers geven; Zoek. 24: Zoo'n smerige knauw onder water. In het fri. immen in stek under wetter troch jaen; in skoat onder wetter, een eenigszins bedekte schimpscheut.

2160. Geen steek,

d.w.z. hoegenaamd niets, geen slag. Het waarschijnlijkst is het, dat we aan een steek in den zin van ‘punt’ moeten denken, daar het op de oudste plaatsen altijd voorkomt in verbinding met het wkw. zien. In het mnl. komt de uitdr. voor in Ovl. Ged. I, 79, 475: Inne sie ene steke niet; Mandev., 202: Daer na maken si den nacht, so datmen eenen steke niet en siet. Vgl. ook Suringar, Dit sijn Seneka leren, 475 (gloss.); Mnl. Wdb. VII, 2042 en verder Marnix, Psalm 135, vs. 16: s' Hebben ooghen, maar sien niet ien steeck; Cats I, 628 (ed. 1726): In ons eygen huis en sien wij niet een steeck; Sewel, 752: 't Is zo donker dat men geen steek (geen oog vol) meer zien kan, it is so dark, that one can see nothing; De Jager, Lat. Versch. 138, waar ook gewezen wordt op het mhd. niht einen stich sehen (Lexer II, 1186); Molema, 400 b; Afrik. ek kan nie 'n steek meer sien nie; Tuerlinckx, 586; De Bo, 1095 b; Antw. Idiot. 1176; Waasch Idiot. 624 a; hd. keinen Stich sehen können, - arbeiten; fr. ne point, niets. In geen steek uitvoeren kan gedacht worden aan een steek bij 't naaien; vgl. fr. ne pas faire un point d'aiguilleDe Jager, Versch. 2, 138 denkt aan een in eene stof met de naald aangebrachte steek. Hiervoor zou kunnen pleiten O.O.Z. 216: Si conde wel ene naalde vaedemen ende ooc wat neyens; nochtan en conde si niet enen steke sien..

2161. Iemand (of iets) in den steek laten,

d.w.z. iemand op het critieke oogenblik verlaten; in de verlegenheid laten, in pardel laten (Limb. 't Daghet VII, 49; VIII, 50), in den brand latenVgl. onze uitdr. in den loop laten, in den loop blijven (Pers, 437 a; eig. in de vlucht laten, blijven); Tuinman I, 284; Ndl. Wdb. VIII, 2810.), of zooals men vroeger ook zei: in de druppen laten; ook: iemand op zich laten wachten; òf iets laten liggen, wegloopen; mnl. in den wege laten; hd. einen im Stiche lassen; im Stiche bleiben (17de eeuw). In de 18de eeuw aangetroffen in Het Boerekrakeel, 72:

 Om ras in veiligheid te komen,
 Heit hy niet iens, wanneer hy week,
 Zyn Vechtgereedschap meê genomen,
 Maer 't meest gelaeten in den Steek.

De oorsprong der uitdr. is onzeker; misschien moeten we het znw. steek opvatten als verb. subst. in den zin van het steken, het vechten, en wil de uitdr. eig. zeggen: iemand of iets in het gevecht verlaten, aan zijn lot overlaten. Zie ook Harreb. II, 301: het is in den steek gebleven; Afrik. iemand in die steek laat; Borchardt, no. 1142; Paul, Wtb. 518; Seiler, 232, waar zes verschillende verklaringen worden medegedeeld; vgl. het mnd. im steke unde lope laten; in dem lope bliven, verloren gaan; en voor Zuid-Nederland Antw. Idiot. 2061; Schuermans, 672 a; Waasch Idiot. 624 a; fri. immen yn 'e stiik litte.

2162. Steek houden,

van eene redeneering, eene bewering gezegd: opgaan, aanneembaar zijn; hd. Stich halten; mnd. den steke holden; fri. string halde. ‘'t Is ontleent, meent Tuinman I, 358, van uitgesleten laken, dat geenen draad ter benaaying kan houden’, eene meening, die niet onwaarschijnlijk is; immers men zegt ook bij het naaien en het leggen van knoopen, dat de steek houdt of niet houdt. Hiermede is te vergelijken nagel houden, van oude planken of latten gezegd (Hooft, Brieven, 96). Bij Huygens, Zeestraet, vs. 117, komt ‘steeck houden’ van eene redeneering gezegd voor in den zin van baten, helpen, eene bet. die gemakkelijk voortvloeit uit de oorspr. van vast blijven zitten, pakken (zie no. 971 en 2124). In het Westvlaamsch wordt steke houden gezegd, van ‘grond, die onder 't delven, niet brijzelt noch brokkelt, maar vast en dicht blijft, zoo dat het spoor van de steek der spade er ongeschonden bewaard wordt’ (De Bo, 1095 bVolgens Borchardt, no. 1143 beteekent Stich halten, ‘den stich ausdauern, aushalten, die probe bestehen. Vom fechten entlehnt, hier bedeutet es eigentlich s.v.w. den stich des gegners aushalten’; Paul, Wtb. 518: Nicht Stich halten, wohl eigentlich von Zeug gebraucht, das zum Nähen nicht mehr zu gebrauchen ist, doch könnte man auch denken dasz es sich ursprünglich auf Aushalten im Kampfe bezogen hat; dazu stichhaltig. Syn. is probehaltig, proefhoudend, wat doet vermoeden, dat steek houden eig. is ‘de steekproef kunnen doorstaan’ (vgl. toets houden), indien althans reeds in 't laatst der middeleeuwen (vgl. mnd. den steke holden) die gewoonte bestond.). Zie Harrebomée, II, 300; Afrik. sy argumente hou nie steek nie; De Génestet I, 329; enz. en vgl. steekhoudend, beproefd, degelijk, solide, vast.

2163. Daar is een steekje (of een torntje) aan los,

dat is niet in den haak; veelal van vrouwen gezegd op wier zedelijk gedrag iets valt aan te merken; Harreb. I, 183: Er is een steekje aan los, waar een elleboog over kan; Dievenp. 45: Het was een model huishouden, in goeien doen, fijn, vroom. Daar scheen geen steekje aan los; Sjof. 182: 't Waren dan op hun manier nog heeren en dames, maar je zag toch wel dat 'er een steek aan los was; S.M. 37: Als er een steekie aan los is, dan ga ik naar den huisheer. Als nette getrouwde vrouw, kan ik toch niet met zoo'n sterdentenmeid in één huis blijven wonen; W. Buning, Menschen zooals er meer zijn, bl. 28: Wat zeg je. Is er een steekje aan los? Mais non, volstrekt niet, meneer.... de menschen praten zooveel; Amstelv. 152: Vervolgens gemeenteraden met een luchtje er aan.... verder ministers, waar een steekje aan los is; Ndl. Wdb. VIII, 2948. Vgl. ook Dievenp. 36: Een gezelschap, waaraan je zelfs zonder speurdersneus wel ruiken kon, dat er 'n torntje aan los was.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)teig- ‘stechen; spitz’, Erweiterung von stei- ds., (s)tig-to- ‘gestickt’

Ai. tējatē ‘ist scharf, schärft’, tējáyati ‘schärft, stachelt’, tiktá- ‘scharf, bitter’, tigmá- ‘spitzig, scharf’, tḗjas- n. ‘Schärfe, Schneide, Glanz’, tḗjana-m ‘das Schärfen, Anzünden; Spitze, Pfeilspitze, Rohrstab, Pfeilschaft’, wozu als Kollektiv tējanī́ f. ‘Geflecht oder Bund von Schilf, Stroh u. dgl.’;
av. taēɣa-, taēža- ‘scharf; m. Schärfe’, tiɣra-, ар. tigra- ‘spitz’; afghan. tērǝ ‘scharf, spitzig’ (*taigra-); av. tiži- ds., tiɣri- ‘Pfeil’ usw., np. tēɣ ‘Spitze, Schwert’ (arm. Lw. tēg ‘Lanze’), tēz ‘scharf’, tēj ‘Pfeil’;
ohne anlaut. s- auch germ. *þī̆hstila- ‘Distel’ (vgl. den s-St. ai. tḗjas-) in aisl. þistill, ags. ðistel, ahd. distil und norw. tīstel, ostfries. dīssel ‘Distel’ und vielleicht acymr. tigom ‘naevi’ (‘*Punkt, Tupf’ aus ‘Stich’? vgl. gr. στίγμα);
gr. στίζω ‘steche, tätowiere’, στίγμα ‘Stich, Punkt’, στικτός ‘bunt’ (‘gestickt’);
lat. īnstīgō, -āre ‘anspornen, anstacheln, anreizen, aufreizen’;
nasaliert īnstinguō ‘reize an’, interstinguō ‘besetze (bestecke) hin und wieder mit etwas’, distinguō ‘(steche, stochere auseinander) unterscheide’ (-uō nach unguō usw.), umbr. anstintu ‘distinguito’; lat. stinguō, -ere ‘auslöschen’ (vom Auseinanderstochern der brennenden Scheite);
mir. tiug- (*tigu-) ‘letzter’, acymr. guotig, cymr. wedi ‘nach’ (‘*hinter dem Ende’), air. tigernae ‘Herr’, gall. Tigernum castrum, cymr. teyrn ‘Herrscher’ (oft beeinflußt von *tegos ‘Haus’); bret. stec’h ‘Garbe’ (*stikkā); bret. stiogen ‘Tintenschnecke’ zu *stiog aus *stigākā (vgl. Loth RC. 43, 156);
got. stiks ‘Stich, Punkt’, ahd. stih, as. stiki, mnd. steke, ags. stice m. ‘ds.’; stician ‘stechen’; Intr. ‘steckenbleiben, fest bleiben’, mnd. sticken ‘stechen, sticken, anzünden, ersticken’, ahd. sticken ‘stechen, sticken’, ir-sticken ‘ersticken’, ahd. steckēn ‘festsitzen’, nhd. stecken (*stikkēn gleichsam ‘angenagelt sein’); aisl. steikja ‘braten’ (eig. ‘an den Spieß stecken’; dazu steikr ‘Braten’, stikna ‘gebraten werden’); mit Ablautentgleisung: as. stëkan ‘festheften, festhaften’, ahd. stëhhan, nhd. stechen, Kaus. *stakjan in ahd. stecken ‘(durch Stiche) befestigen, einstecken’, nhd. stecken tr., got. staks ‘Wundmal’, ahd. stahhula ‘Stachel’, aisl. stǣkr ‘stinkend, scharf’; diese Überführung in die e-Reihe war begünstigt durch die germ. Ableger von *steg- ‘Stange’ (z. B. aisl. stjaki m. ‘Pfosten’), mit denen sich die Gruppe got. stiks, nhd. stechen zu einer neuen Einheit zusammenschloß; so beruht formell auf *stig-, aber mit der Bed. von *steg-: aisl. stika, ahd. stehho ‘Stecken’ (letzteres aber zugleich auch = aisl. stjaki), aisl. stik n. ‘Pfahl’; mit kk: aisl. stikka ‘Stecken, Stange’, ags. sticca m. ‘Stecken, Löffel’, as. stekko ‘Stecken, Pfahl’, ahd. stecko ‘Stecken’;
zu *stig- stellen sich noch: aisl. stikill ‘Spitze’, ags. sticel(s) m. ‘Stachel’, mnd. stekel, ahd. stihhil ‘Stachel’, nhd. Stichel; got. stikls, ahd. stehhal ‘Becher’ als ‘zum Einstecken in die Erde unten zugespitzt verlaufendes Gefäß’; as. stekal ‘rauh, steinig’, mnd. stekel ‘devexus’, ags. sticol ‘steil, hoch’, ahd. stehhal, mhd. stechel, stichel, stickel ‘steil’ als ‘die Fußsohlen stechend, voll spitzer Steine’;
lett. stigt ‘einsinken’, lit. stingù, stigaũ, stìgti und stýgau, -oti ‘an einem Orte ruhig verbleiben (steckenbleiben’); ob zu (s)teigh-?

WP. II 612 ff., Wissmann Nomina Postverb. 86 f., 191, Vasmer 3, 8; s. unter (s)teg-2.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal