Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steeg - (koppig)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steeg2* [koppig] {stedich 1294, steegh 1562} middelnederduits steeg, oudhoogduits stetig [vast], oudnoors stǫðugr [vast, bestendig]; van stad [plaats], dus: op zijn standpunt blijvend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steeg 2 bnw. ‘koppig’, Kiliaen steegh naast stēdigh = mnl. stēdich ‘standvastig, vast, koppig’, mnd. stēdich ‘koppig’, ohd. stetig ‘vast’ (nhd. stätig ‘halsstarrig’), on. stǫðugr ‘vast, bestendig’. — Afl. van stad ‘plaats waar men staat; het staan’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

steeg II (koppig, wfri. = “stijf”). Kil. steegh, stedigh, mnl. stēdich (gh) “standvastig, vast, koppig”. = ohd. stetig “vast” (nhd. stätig, stätisch “halsstarrig”), Teuth. mnd. stēdich “koppig” (vooral van paarden), on. stǫðugr “vast, bestendig”. Van stad in de oudere bet. “plaats” of “het staan”. Evenzoo is eng. steady “bestendig, standvastig” gevormd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

steeg 2 bijv.(stug), Mnl. stedich + Hgd. stätig, Eng. steady = vast, onbeweeglijk: afgel. van stad = plaats.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

steeg, teeg, bn.: hengstig (van een merrie), paardig. Dit is een bijkomende betekenis van Vl. en Br. steeg ‘onwillig, koppig; taai, stug, moeilijk te bewerken, wat weerstand biedt’. Door d-syncope < Mnl. stedich ‘koppig, vasthoudend’, Vnnl. steegh ‘retif, qui resiste’ (Lambrecht), stedigh ‘stabiel, vast, vasthoudend’, stedigh, steegh ‘hardnekkig, volhardend’, stedigh oft steegh peerd ‘weerbarstig paard’ (Kiliaan). Afl. van (nu vero.) Ndl. stede ‘plaats’, D. Stätte. Vgl. in stede van ‘i.p.v.’, E. instead of, D. statt. Stedig, steeg is hetzelfde woord als D. stetig ‘bestendig, gestadig’ < Ohd. stâtîg, Mhd. stætic. Steeg betekent dus oorspr. ‘wat moeilijk van zijn plaats weg te krijgen is’.

teeg 1, teug, bn.: bronstig. Door metanalyse uit steeg ‘hengstig’ (zie i.v.).

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

steeg, bn.: onwillig, koppig; taai, stug, moeilijk te bewerken, wat weerstand biedt. Ook Vlaams. Door d-syncope < Mnl. stedich ‘koppig, vasthoudend’, Vnnl. steegh ‘retif, qui resiste’ (Lambrecht), stedigh ‘stabiel, vast, vasthoudend’, stedigh, steegh ‘hardnekkig, volhardend’, stedigh oft steegh peerd ‘weerbarstig paard’ (Kiliaan). Afl. van (nu vero.) Ndl. stede ‘plaats’, D. Stätte. Vgl. in stede van ‘i.p.v.’, E. instead of, D. statt. Stedig, steeg is hetzelfde woord als D. stetig ‘bestendig, gestadig’ < Ohd. stâtîg, Mhd. stætic. Steeg betekent dus oorspr. ‘wat moeilijk van zijn plaats weg te krijgen is’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

steeg bn.: taai, stug, ruig, moeilijk te bewerken, wat weerstand biedt, onwillig, niet meegaande; drukkend, zwoel; vochtig (van graan). Door d-syncope < Mnl. stedich ‘koppig, vasthoudend’, Vnnl. steegh ‘retif, qui resiste’ (Lambrecht), stedigh ‘stabiel, vast, vasthoudend’, stedigh, steegh ‘hardnekkig, volhardend’, stedigh oft steegh peerd ‘weerbarstig paard’ (Kiliaan), 1663 stonden steech en wilden niet vercoopen, 1676 steech end’ ongewillich maecken, Gent (LC). Afl. van (nu vero.) Ndl. stede ‘plaats’, D. Stätte (zie stee). Stedig, steeg is hetzelfde woord als D. stetig ‘bestendig, gestadig’ < Ohd. stâtîg, Mhd. stætic. Steeg betekent dus oorspronkelijk ‘wat moeilijk van zijn plaats weg te krijgen is’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

steeg (B, E, G, L, W, ZO, ZV), bn.: taai, stug, moeilijk te bewerken, wat weerstand biedt, onwillig. Door d-syncope < Mnl. stedich 'koppig, vasthoudend', Vnnl. steegh 'retif, qui resiste' (Lambrecht), stedigh 'stabiel, vast, vasthoudend', stedigh, steegh 'hardnekkig, volhardend', stedigh oft steegh peerd 'weerbarstig paard' (Kiliaan), 1663 stonden steech en wilden niet vercoopen, 1676 steech end' ongewillich maecken, Gent (LC). Afl. van (nu vero.) Ndl. stede 'plaats', D. Stätte. Vgl. in stede van 'i.p.v.', E. instead of, D. statt. Stedig, steeg is hetzelfde woord als D. stetig 'bestendig, gestadig' < Ohd. stâtîg, Mhd. stætic. Steeg betekent dus oorspr. 'wat moeilijk van zijn plaats weg te krijgen is'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

teeg, teug bronstig gez. van een hengst (Limburg). In sandhi na -s ontstaan ‹ steeg ‘id.’ (= stadig).
WLD I Afl. 9, 85.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

steeg, bn., scherpl. e: taai, stug, moeilijk te bewerken, wat weerstand biedt, onwillig. Door d-syncope uit Mnl. stedich ‘koppig, vasthoudend’. Vroegnnl. stedigh ‘stabilis, firmus, fixus, continuus, assiduus’, stedigh, steegh ‘pertinax, pervicax, obstinatus’, stedigh oft steegh peerd ‘equus restitator, equus retractans, refractarius, contumax’ (Kiliaan), steegh ‘rétif, qui résiste’ (Lambrecht). Afl. van (nu vero.) Ndl. stede ‘plaats’, D. Stätte. Vgl. in stede van ‘i.p.v.’, E. instead of, D. statt. Stedig, steeg is hetzelfde woord als D. stetig ‘bestendig, gestadig’ < Ohd. statig, Mhd. stœtic. Steeg betekent dus oorspr. ‘wat moeilijk van zijn plaats weg te krijgen is’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

steeks: koppig (van mens of dier gesê wat nie wil beweeg/meedoen/ trek nie); Ndl. steeg uit stedig, “onwillig om te beweeg, stilstaande” (vgl. leeg uit ledig) wu. steegs(ch) naas steeks(ch), “koppig”, hou misk. verb. m. Eng. steady, “nie geneig om te beweeg/mee te gee nie”, vgl. Scho TWK/NR 7, 2, p. 28.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

steeg, steegs ‘koppig’ -> Frans dialect stek, stec ‘stijf, onbuigzaam, steil, aanstellerig’; steeks ‘koppig’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut