Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

steeg - (straatje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

steeg zn. ‘nauw straatje’
Onl. stēga ‘trap’ in Thiu steyga, tha man ze themo dische uph scal gaan ‘de trap waarmee men naar de tafel moet klimmen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. stege ‘straatje’, gelatiniseerd in de stega que dividit terram Godefridi ... et Willelme ‘het pad dat de stukken grond van Godfried en Willem scheidt’ [1208; Fuchs], que super iodans stege ‘die in Jordaans steeg (ligt)’ [1212-23; VMNW], vp den hornec vander steghen ‘op de hoek van de steeg’ [1296; VMNW], Hoe enghe ende nauwe sijn die steghen ‘hoe eng en nauw zijn de stegen’ [ca. 1450; MNW], wij quamen tot een straet offte steech ‘we kwamen bij een straat of steeg’ [1488; MNW].
Mnd. stēge ‘steile weg, helling’; ohd. stega ‘trap’; < pgm. *stigō- ‘steile weg’. Daarnaast staat pgm. *stiga- met ongeveer dezelfde betekenis, waaruit: nnl. steg in de uitdrukking heg noch steg weten ‘helemaal de weg niet weten’, uit mnl. stech ‘vonder’ [1477; Teuth.], dat te vergelijken is met nhd. Steg ‘plank, vonder’. Daarnaast bestond ook pgm. *stīgō- ‘pad, weg’ (nhd. Steig) en *staigō- ‘steigende weg’, bijv. in ohd. steiga. Al deze vormen zijn afgeleid van de wortel van het sterke ww.stijgen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

steeg1* [straatje] {stege, steech [weg, straat, pad, steeg] 1210-1240} middelnederduits stege, oudhoogduits stega [trap], verwant met stijgen, steg.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

steeg 1 znw. v. ‘smalle straat’, mnl. stēge, steech, Kiliaen stēghe (= stijghe, Sax. Fris. Holl. Sicamb.), mnd. stēge ‘trap’, ohd. stega ‘trap’ < germ. *stigō van het ww. stijgen. De afl. *stiga- leeft nog voort in steg. — Abl. staan daarnaast *stīgō vgl. Kiliaen stijghe, mnd. stīch, ohd. stīg m. (nhd. steig), stīga v. ‘voetpad’, on. stīgr m., oe. stīg v. ‘pad’ en *staigō vgl. ohd. steiga v. ‘stijgende weg’, got. staiga v. ‘weg, pad’. Afwijkend vocalisme (e2?) in ohd. stiega (nhd. stiege) ‘trap’. — Uit het idg. zijn te vergelijken van de stam *stigh: osl. stidza, stiza ‘voetpad, weg’, lett. stiga ‘pad’ (~ steeg); gr. stíchos ‘rij, gelid, lijn’ (~ steg); gr. stoichos ‘rij, lijn’, alb. >. shtek, shteg ‘doorgang, weg, haarscheiding’ (~ got. staiga).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

steeg I znw. Kil. steghe, synoniem van stijghe, beide “Sax. Fris. Holl. Sicamb.” genoemd, met de bet. “steeg, voetpad”, mnl. stēghe v. “id., weg”. = ohd. stëga, mnd. stēge v. “trap”, germ. *stiʒô(n)-. Hiernaast *stiʒa-, ndl. steg, Teuth. stech “vonder” = ohd. stëg (nhd. steg) m. “vonder”, mnd. stëch o. “id., voetpad”, on. stigr m. “voetpad, pad”. Met Kil. stijghe vgl. ohd. stîg (nhd. steig) m., stîga v. “pad, voetpad”, mnd. stîch, on. stîgr m., ags. stîg v. “id.”. Met ai got. staiga v. “weg, pad”, ohd. steiga v. “stijgende weg”. Met opvallend vocalisme (ê2 < êi?) ohd. stiega (nhd. stiege) v. “stijging, trap”. Alle bij stijgen. Vgl. vooral obg. stĭ(d)za, lett. stiga “pad” (= ndl. steeg), gr. stíkhos “rij, gelid” (= ndl. steg), met oi ( = germ. ai) gr. stoīkhos “rij, lijn”, alb. štek “doorgang, ingang”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

steeg 1 v. (straatje), Mnl. steghe + Hgd. steg, stege, stiege: van denz. stam als ’t meerv. imp. van stijgen (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

steeg s.nw.
Nou straatjie, laantjie tussen geboue.
Uit Ndl. steeg (Mnl. steghe).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1815).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

steeg (de, stegen), steek (de, steken), smalle en/of ongeplaveide zijstraat of -weg, ook op het platteland; landweg. Waarop het gejoel zich verplaatste naar de drassige gronden aan het met onkruid overwoekerde einde van de steeg (Cairo 1976: 112). Chauffeur, stoppen! Ai*, bij die tweede steek (Doelwijt 1969: 12). - Etym.: AN steeg = 1. (veroud.) landweg (nog wel in eigennamen); 2. smal straatje in stad of dorp. De uitspr. k i.p.v. g of ch komt in SN incidenteel voor bij vele woorden, zeer vaak alleen bij steeg.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Steeks bnw., bw., Ndl. steeg(s) (van perde). – Gunnink 215: “Stēks (bnw. Eigenschap van een paard, dat niet voort wil).”

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

steeg 'pad, smalle weg'
Onl. stega 'trap', mnl. stege, steech 'straatje, pad, smalle weg', mnl. steg 'vonder', mnd. stege 'steile weg, helling', ohd. stega 'trap', ohd. steiga 'stijgende weg', got. staiga 'weg, pad', ono. stígr, oe. stîg 'pad, voetpad', bij het werkwoord stijgen. Oudste attestaties in plaatsnamen: 1377 de Haersteghe (→ Haarsteeg), 1378 in die Tollensteghe (→ Tolsteeg)1.
Lit. 1RBU I, 5.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Steeg; steg (een „steegje”; weg noch „steg” weten), van stijgen (z. d. w.), dat oorspr. gaan bet.; een steeg is dus een gang; en een steg een pad, voetpad.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

steeg ‘straatje’ -> Fries steech ‘straatje’;? Duits dialect Stege ‘straatje’; Frans dialect estéeye ‘havenhoofd, havenpier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

steeg* straatje 1210-1240 [CG I1, 6]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2166. Men moet stegen voor straten kennen,

d.w.z. men moet onderscheid weten te maken tusschen menschen van verschillenden rang en stand of van verschillenden aard, en zich daarnaar schikken. Vgl. voor de 16de eeuw Sart. I, 2, 35: kent steghen voor straten, dat aldaar gelijkgesteld wordt aan ‘ghij moet rijden en omsien’; 7, 62: Hy weet goet ende quaet, hy kent straten voor stegen. Zie verder Cats I, 469; Gew. Weeuw I, 17; Verl. Soon, 36: Ick kan stegen voor straten; Tuinman I, 156; Archief IV, 27; W. Leevend IV, 38: Steegen uit straten kennen; Br. v. Abr. Bl. I, 296: Straaten uit steegen kennen; V. Janus, 7: Straaten voor steegen kennen; Halma, 618: Hij kent geen steegen voor straaten, hij maakt geen onderscheid van personen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut