Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

statig - (deftig, plechtig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

statig bn. ‘deftig, plechtig’
Vnnl. statich ‘voornaam, waardig, plechtig, luisterrijk’ [1599; Kil.], statig ‘eerbiedwaardig, gezaghebbend’ in den allerwijsten en statighsten man, die ... in Italie leefde [1644; WNT], ‘luisterrijk’ in een pragtigh en statigh hoff [1652; WNT], ‘ernstig, plechtig’ in staetig ... gesangh; nnl. statig ‘fier, deftig’ in eene groote, gezette, staatige Vrouw [1784; WNT], ‘plechtig, deftig’ in in statig ambtsgewaad [1820; WNT], ‘luisterrijk, indrukwekkend’ in dat statig landhuis [1866; WNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -ig van → staat 1 in de betekenis ‘stand, aanzien’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

statig [voornaamheid weerspiegelend] {statich [opvallend] ca. 1500} is afgeleid van staat via het achtervoegsel -ig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

statelijk bnw., mnl. stātelijc ‘voornaam; deftig, statig’, mnd. stātelik ‘aanzienlijk’ (> nhd. stattlich), ne. stately is een afl. van staat in de zin van ‘pronk, staatsie’. Daarentegen betekent ohd. statelicho ‘op passende wijze’. — Het bnw. statig komt eerst sedert Kiliaen voor.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

statelijk, statig bnww., het tweede sedert Kil., het eerste reeds mnl., ook in den Teuth., mnd. (> nhd. stattlich) en eng. (stately). Van staat met de bet. “staatsie”; ohd. (Notker) statelîcho “op gepaste wijze” is wsch. een ander woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

statig v., van staat.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Staan, van den Idg. wt. stha = vast, stijf zijn; ook staan (zie Staaf); vandaar ook: stad, stede, stadig, steeds (zie die woorden). Een bijvorm van den Germ. wt. sta is stand (Os. standan), vandaar ons stand. Ook staat, dat ontleend is aan ’t Lat. status, verl. deelw. van stare = staan, behoort hierbij; het woord wil n.l zeggen: de stand, toestand waarin men zich bevindt. Maar ook staat (rijk, land) is hiervan afgeleid; het ziet oorspr. op de regeering, op de standen of stenden der maatschappij, die vertegenwoordigd waren, n.1. de Generale of Provinciale Staten. Zoo verkreeg het woord Staten de bet. van regeering en ook van het gebied, het land dier „Staten”.
Het woord staatsie (plechtigheid) is eveneens een verwant van deze rijke familie. Het woord is ontstaan uit ’t Fr. station, van ’t Lat. statio en bet. de plaats, waar men blijft staan; rust- of standplaats. Een statie is eig. de plaats, waar de processie telkens bij een der tafreelen uit Jezus’ lijden blijft staan, om deze episode met bijzondere plechtigheid te herdenken. (Ook de afbeelding heet „statie”.) Zoo verkreeg staatsie of statie de bet. van: bijzondere plechtigheid. Het gebruik wil, dat staatsie de plechtigheid bedoelt en statie de afbeelding zelf. – Statie is ook de Vlaamsche naam voor ons station = eig. rustplaats. Een grooten „staat” (staatsie) voeren bet. dus: weelderig, voornaam, deftig leven, vandaar ons bijv.nw. statig = deftig, met staatsie.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

statig voornaamheid weerspiegelend 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut