Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staren - (turen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

staren ww. ‘turen’
Mnl. staren (zn.) ‘(het) staren, getuur’ [1276-1300; VMNW], als ww. in Dat heeten wi staren, als yemen ... één dinc alleene ane zyet ‘dat noemen we staren, als iemand uitsluitend naar één ding kijkt’ [ca. 1300; MNW] en sterren in ende stert somen tiden ‘en staart soms’ [ca. 1350; MNW sterren]; vnnl. ook starren ‘star kijken’ [1588; Kil.].
Mnd. staren, starren ‘troebel, donker worden van ogen; staren’; ohd. starēn ‘aanzien’ (mhd. staren ‘staren’, nhd. starren); oe. starian ‘staren’ (me. stāren, ne. stare); on. stara ‘staren’ (nno. stare); < pgm. *starēn-, *starōn-. De vormen met -rr- zijn secundair, zie onder.
Afleiding van → staar in de oorspr. bijvoeglijke betekenis ‘troebel’, die in het Middelnederduits nog duidelijk aanwezig is. Als uitgangsbetekenis van staren is aan te nemen ‘ingespannen kijken, genoodzaakt door troebele, door staar aangetaste ogen’, waarbij een veralgemening tot ‘turen, strak naar één ding kijken’ voor de hand ligt. Het Hoogduits kent een werkwoord starren ‘star worden of zijn’, dat als afleiding van → star van andere herkomst is, maar sterk op staren lijkt door zijn vorm en specifieke betekenis ‘star kijken’. In het Middelhoogduits is staren er dan ook mee samengevallen, en zo is starren in de betekenis ‘staren, wezenloos kijken’, evenals zijn grondwoord star, ontleend in het oostelijke Nederlands. Dit zal ertoe hebben bijgedragen dat staren, dat elders bleef bestaan, de betekenisnuance ‘star kijken zonder iets te zien’ erbij heeft gekregen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staren* [strak kijken] {1276-1300} middelnederduits, oudhoogduits staren, oudengels starian, oudnoors stara, van star1, vgl. grieks stereos [hard, stijf]; de grondbetekenis is ‘stijf, hard’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staren ww., mnl. stāren, mnd. stāren, ohd. starēn, oe. starian (ne. stare), on. stara ‘staren’. Zie verder: star.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staar znw., nog niet bij Kil. Of uit nhd. star m. “staar”, dat als uit starblind geabstraheerd wordt beschouwd, òf in ’t Ndl. gevormd bij de casus obliqui van mnl. *star “starheid van ’t oog”, alleen bekend in de uitdr. te stāre staen “strak, onbeweeglijk zijn” (van de oogen, bijv. bij een doode) = mnd. star o. “staar, starheid van ’t oog”, ’t Zelfde woord in de samenst. mnl. staerblint (d; nnl. staarblind), ohd. staraplint (nhd. starblind), mnd. stā̆rblint, ofri. starublind, stareblind, ags. stareblind, stær(e)blind “staarblind, geheel blind” (eng. vervormd tot stark blind). Hierbij het ww. staren, mnl. stāren, ohd. starên, mnd. stāren, ags. starian (eng. to stare), on. stara “staren”. Het bnw. star, Kil. sterre, starre (“vetus”), nhd. starr “strak” is blijkbaar bij Kil. starren, sterren, mhd., mnd. starren “star kijken, staren” gevormd, dat zelf ook wel eerst een secundaire vorm naast staren zal wezen. Met ablaut ohd. storrên “stijf zijn of worden”, got. and-staúrran “bedreigen, morren tegen”. De bet. maakt verwantschap met gr. stereós “stijf, hard” en hoogerop met de idg. basis st(h)â- (zie staan) wsch. Germ. *stara- zou ook = oi. sthirá- “vast, strak, hard” kunnen zijn; dit is met ’t idg. nominaalformans -ro- direct van de basis st(h)â-, st(h)ǝ- gevormd. Ook os. stôri, ofri., ags. stôr, on. stôrr “groot”, oier. sâr “iets van belang”, nier. sâr-, târ- versterkend prefix, obg. starŭ “oud”, lit. stóras “dik” hooren hierbij (voor de bet. vgl. ndl. stevig en oi. sthûrá- bij stuurs). Zie nog sterven, sterk, streng I, streng II, strijden, stroef, strompelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

staren o.w., + Ohd. staren (Mhd. starn, Nhd. starren), Ags. starian (Eng. to stare), On. stara: denom. van star 2.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Staren, denom. van star = stijf; verwant met ’t Skr. sthira = vast, sterk, en ’t Gr. stereos = hard; het woord w.d.z.: met stijve, strakke blikken op iets turen; ook: „star-oogen. Eveneens is verwant: halsstarrig = een stijven hals hebbende.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staren* strak kijken 1276-1300 [CG Lut.A]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut