Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stank - (kwalijke geur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stank zn. ‘kwalijke geur’
Onl. stank ‘(sterke) geur’ in in themo stanke thinere saluon ‘in de geur van uw oliën’ en thie bluom machot suozen stank ‘de bloesem verspreidt een zoete geur’ [beide ca. 1100; Will.]; mnl. stanc ‘kwalijke geur’ in So wilke tit so de sustre der siecker cleder waschen; so mogen si crud nutten dor den stanc ‘steeds wanneer de zusters de kleren van de zieke wassen, mogen zij kruiden gebruiken voor de stank’ [1236; VMNW], So vul dode was de stede. Dat eiselic was an te siene ... die stanc was arde grod ‘de stad lag zo vol met doden dat het gruwelijk was om aan te zien ... de stank was enorm’ [1285; VMNW]; nnl. in de uitdrukking stank voor dank ‘ondank i.p.v. dank’ [1841; WNT].
Ablautende vorm bij de wortel van het sterke werkwoord → stinken.
Os. stank; ohd. stank (nhd. Stank, Gestank); oe. stenc (ne. stench); alle oorspr. ‘geur’, maar al vroeg ‘kwalijke geur’, < pgm. *stankwa-, -wi-.
In het Oudnederlands is de betekenis altijd neutraal of positief ‘sterke (aangename) geur’, maar al vanaf het vroegste Middelnederlands is deze verschoven naar ‘kwalijke geur’, net als in de andere West-Germaanse talen.
De betekenis ‘aangename geur’ die het WNT nog aan stanck toekent op twee vindplaatsen uit de 17e eeuw, berust op verkeerde interpretaties (Schoonheim 2004).
Lit.: T. Schoonheim (2004), ‘Stank voor dank’, in: S. Daalder e.a. (red.), Taal in verandering, Amsterdam, 95-101

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stank znw. m., mnl. stanc m., os. ohd. stank, oe. stenc (ne. stench) is een verbaalnomen bij stinken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stank znw., mnl. stanc m. = ohd. (nhd.), os. stank, ags. stenc (eng. stench) m. “stank, reuk”, stam *staŋqi-. Bij stinken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stank m., Mnl. stanc, Os. stank + Hgd. stank, Ags. stenc (Eng. stench): van denz. stam als ’t oude enk. imp. van stinken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stank ‘onbehaaglijke geur’ -> Deens stank ‘onbehaaglijke geur’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stank ‘onbehaaglijke geur’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stank ‘onbehaaglijke geur’ (uit Nederlands of Nederduits).

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1672. Ondank is 's werelds loon.

‘Het goede wordt in de wereld veelal met kwaad vergolden’; hd. Undank ist der Welt Lohn; de. utak et Verdens Lon (Wander IV, 1422); zie Tuinman I, 258; 316; II, 174; Joos, 183; Waasch Idiot. 166 a; Harreb. II, 36 b; Villiers, 89; fri. ontank is 't lean fen 'e wrâld, en vgl. de platte uitdr. stank voor dank; fri. stank is wrâlds lean.

2156. Stank voor dank,

d.w.z. ondank in de plaats van dank; syn.: stront voor dank (V. Schothorst, 115; H.v.Z. 62; Kmz. 189; Gron. 49), dat we lezen in Van Vloten, Kluchtspel II, 230:

 My hebje verlaten, om met hem as met jou man te leven,
 Die jou ien stront, met verlof, het voor je danck egeven.

‘Stank voor dank’ komt in de 17de eeuw voor bij Hondius, Mouf. 53; in de 18de eeuw bij Halma, 606: Ik krijg stank voor dank, au lieu de recevoir des remercimens que je mérite, je ne suis payé que d'ingratitude; V. Janus, 8; Harreb. I, 120; Jord. 359; Prikk. V, 11; Boefje, 8; 113; Menschenw. 219; V. Schothorst, 205; enz.; Afrik. stank vir dank kry; In het Friesch: goeddwaen wirdt mei stank leanne of ik krij stank for tank; vgl. ook Joos, 50; Rutten, 153 a; Teirl. 249: stank veur dank krijgen, ontvangen, geên; Eckart, 498: Stank vör Dank; Grimm II, 729: gestank für dank; IV, 4202: stank statt (für) dank. Men zal niet te veel achter dit woord ‘stank’ moeten zoeken, het is voornamelijk als rijmwoord te beschouwen (no. 1555Noord en Zuid XXVI, 446; Verdam, Uit de Gesch. der Ned. Taal4, blz. 176.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut