Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stang - (spijl)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stang* [spijl] {stange 1494} oudsaksisch, oudhoogduits stanga, oudnoors stang, naast oudengels stǫng, van oudengels stingan, oudnoors stinga [steken]; buiten het germ. grieks stachus [korenaar], litouws stegerys [lange gedroogde stengel]. In de uitdrukking iemand op de stang rijden [hem streng behandelen] is de stang een staaf van metaal in de mond van een paard. De kinketting is eraan bevestigd, zodat men het dier door deze constructie goed in de hand kan houden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stang znw. v., mnl. stanghe v., os. ohd. stanga (nhd. stange), on. stǫng v. ‘stang, staak’ < germ. *stangō naast *stangi: oe. steng en *stangiō zie: steng. — Het beste te verbinden met het ww. oe. stingan (ne. sting), on. stinga ‘steken, stoten’ en got. usstagg (l. usstigg?) ‘steek uit’. — gr. stáchus ‘aar’, en daarnaast lit. stangùs ‘weerspannig’, stingti ‘stollen’, lett. stingrs ‘stijf, star’ (IEW 1014-5) uit idg. wt. *stengh. — Zie verder: stag en staak.

Uit langob. is ontleend ital. stanga ‘stang van het anker’ en daaruit in de 17de eeuw stangue. Uit een germ. taal komt eveneens ngr. stágka.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stang znw., mnl. stanghe v. = ohd., os. stanga (nhd. stange), on. stǫng (gen. en mv. stengr) v. “staak, stang, stok”, germ. *staŋʒô- (-u-?). Hiernaast *staŋʒi-, ags. steng m. “id.” (eng. stang uit het Noorsch) en *slaŋʒiô(n)-, ndl. steng, Kil. mnl. stenghe. Hierbij nog stengel (niet uit ’t Mnl. bekend), ohd. stengil (nhd. stengel), os. stengil m. “stengel, staak”. De bett. herinneren aan de woordgroep van staak en daarom zouden we geneigd zijn naast idg. steg- “stijf, vast zijn” een synonieme basis ste(ŋ)gh- aan te nemen, waarvan eventueel ook gr. stókhos “wat opgericht is, opgesteld doel” en de bij staak genoemde balt.-slav. woorden zouden kunnen komen, verder lit. stíngstu, stíngti “stollen”, stangùs “weerspannig”, lett. stingrs “stijf, stram”. Maar met ’t oog op ags. stingan (eng. to sting), on. stinga “steken”, got. us-stagg (lees us-stigg?) “steek uit” kunnen we ook van een basis ste(ŋ)gh- (of ste(ñ)ĝh-) “puntig, stekelig zijn” uitgaan; dan kan gr. stákhus (a< ŋ) “aar, stengel” verwant wezen. Ook van deze basis zouden gr. stókhos en een deel der bij staak genoemde woorden kunnen komen. Zie nog steken, maar vooral staak.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stang v., Mnl. stanghe, Os. stanga + Ohd. id. (Mhd. stange, Nhd. id.), Eng. stang, On. stang (Zw. stång, De. stang): van denz. stam als ’t enk. imp. van *stingen + Ags. stingan (Eng. to sting), On. stinga (Zw. id., De. stinge) = steken: nasaleering van steken, staak.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stang, van den Germ. wt. sting = steken, het woord w.d.z.: wat men in den grond steekt, dus ongeveer ’t zelfde als stok, staak (zie die woorden), ’t Verkleinwoord is stengel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stang ‘spijl’ -> Deens stæng ‘spijl’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch stang ‘fietsstang’; Jakartaans-Maleis setang ‘stang van fiets of motor’; Javaans setang ‘spijl; stuur van een fiets’; Menadonees stang ‘spijl’; Minangkabaus setang, stang ‘spijl’; Sasaks sĕtang ‘spijl, fietsstuur’; Sranantongo stanga ‘spijl’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stang* spijl 1494 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2155. Iemand op de stang rijden,

d.w.z. iemand narijden, hem nauwlettend nagaan; scherp op zijn doen en laten toezien, achter de broek zitten; hem streng behandelen; eig. door middel van de stang (zuidndl. stanger), den metalen staaf, dien het paard in den bek heeft, en waaraan de kinketting bevestigd is, het dier bedwingen, het flink den teugel doen gevoelen; zie B.B. 90: Er zat nog altoos een driftige natuur in - meneer moest hem (een paard) altoos op de stang rijden. Vgl. het 16de-eeuwsche op den toom, op den teugel rijden, in zijne macht houden, bedwingen door middel van den teugel; Berkhey, Nat. Hist. IV1, 91: De smaak onzer Natie is, het Paard, zoo als zy 't noemen, op het Gebit (van den toom) te ryden, dat is, dat ze het Hoofd, in 't mennen, als tegen den Hals intrekken, en de Paarden aan die houding gewoon maaken. Zie Harreb. II, 299; Van Eijk II. 70; Schoolblad, XLIII, k. 1239: De onderwijzers hebben indertijd zelf verklaard, dat ze rijp waren voor hun werk zonder een ambuleerend hoofd - en nu moeten ze streng op de stang gereden worden; Haagsche Post, 16 Maart 1918 p. 314 k. 2: Zoowel de Geassocieerden - de Entente en Amerika - als Duitschland rijden ons op de stang, steeds straffer, steeds hardvochtiger, steeds meedoogenloozer; Breuls, 87; Afrik. iemand met springteuels rij; hd. einen auf die Kandare (auf Trense und Kandare) reiten; eng. to hold a p on the snaffle; in 't fri.: hy moat mei de poarteam (een toom voor een onhandelbaar paard) riden wirde, onder streng toezicht staan, om niet uit te spattenIn Het Volk, 18 Jan. 1913 p. 1 k. 3: Jaagt den boel nog maar meer op stang, heeren, het eind zal den last wel dragen; 14 Mei 1914 p. 1 k. 3: Schaper's speechje heeft de heele rechterzijde op stang gejaagd. De heer R. geeft zijn vriend B. instrukties. D. plaatst zich als een waakhond voor hem, in een christelijk-historische hoek wordt druk gekonfereerd. Blijkbaar beteekent hier op stang jagen, opschrikken, in beroering brengen. Vgl. V. Ginneken II, 464: iemand op stang rijden, iemand flink aanpakken, kwaad maken. Ik heb hem op stang: ik heb hem woedend gemaakt; op stang zijn, woedend zijn (in D.v.S. 23).. Vgl. Iemand op trens (toom zonder stang) rijden, van iemand veel kunnen verdragen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut