Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

standaard - ((stok van) vaandel, voetstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

standaard 1 zn. ‘(stok van) vaandel, voetstuk’
Mnl. standard ‘voetstuk’ [1278; VMNW], standard ‘staander’ in pawelioene ende standarde mede te makene ende up te houdene ‘om tenten en staanders mee te vervaardigen en te onderhouden’ [1284; VMNW], standaerd ‘vaandel’ in standaerde ontwonden van singlatoene ‘uitgerolde vaandels van zijde’ [1350; MNW].
Ontleend aan Oudfrans estendart ‘vaandel waaromheen soldaten zich verzamelen’ [1080; Rey] (Nieuwfrans étendard ‘vaandel’). Dit woord is wrsch. ontwikkeld uit een Frankische samenstelling *standhard ‘stevig, vast; standvastig’, gevormd uit → stand 1 en → hard ‘stevig’. Een andere mogelijkheid is afleiding van Oudfrans estendre ‘uitspreiden, uitstrekken’ [begin 12e eeuw; Rey] (Nieuwfrans étendre ‘uitspreiden, uitbreiden’), ontwikkeld uit Latijn extendere ‘id.’.
De oorspr. betekenis in het Frans luidde ‘vaandel’ en later ook ‘staf waar het vaandel aan hangt, staander’. In het Nederlands (en in andere Germaanse talen) is het woord vervolgens onder invloed van → stand 1, door verwarring van de uitgangen -aard, -erd en -er gaan samenvallen met het woord staander. Hierdoor is de betekenis ‘vaandel’ secundair geworden. Uit de betekenis ‘staander’ heeft zich de betekenis ‘datgene waar iets in staat, voetstuk’ ontwikkeld.
Het Nederlandse woord is in de betekenis ‘vaandel’ uitgeleend in het Russisch, als štandárt. Dit was ook de naam die Peter de Grote in 1703 gaf aan het eerste marineschip dat onder zijn leiding werd gebouwd (Van der Meulen 1959).
Lit.: R. van der Meulen (1959), Nederlandse woorden in het Russisch, Amsterdam, 90-91

standaard 2 zn. ‘maatstaf’
Nnl. standert ‘maatstaf van kwaliteit, ideaal voorbeeld’ in Deze zag hy aen als de nimmer-dwalende standert van pligt ‘deze (goddelijke schriften) zag hij als het onfeilbare voorbeeld van plicht’ [1765-68; iWNT], standaard ‘wettig vastgestelde maat’ in Wanneer men eenen Standaard van den Meeter vervaardigt [1802; iWNT], standaard ‘basiswaarde’ in een hooger standaard ‘een hoger peil van voortreffelijkheid’ [1841; iWNT], standaard ‘vastgestelde inhoud of kwaliteit’ in Er zijn producten, waarbij geen bepaalde standaard kan worden aangenomen [1918; iWNT].
Wrsch. ontleend aan Engels standard ‘maatstaf voor lengte of gewicht’ [1327; BDE], in deze betekenis al eerder in de gelatiniseerde vorm standardus [13e eeuw; OED]. Deze betekenis gaat terug op standard ‘vaandel’ [1154; OED], dat is ontleend aan Frans estandart ‘vaandel’ [1080; Rey]. Het is dus hetzelfde woord als → standaard 1.
De specifiek in het Engels tot ontwikkeling gekomen betekenis ‘maatstaf’ gaat wrsch. terug op een overdrachtelijk gebruik van de betekenis ‘vaandel’ als ‘door het gezag bepaald symbool’ > ‘modelvoorwerp’ > ‘standaardroede, standaardgewicht’ (BDE).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

standaard [vaandel, voetstuk, maatstaf] {in de persoonsnaam Riquard Standard 1278, standa(e)rt [vaandel, voetstuk] 1302; als ‘maatstaf’ 1850} < oudfrans estendart [omwalling waar de troepen werden samengetrokken, vaandel], van estendre [uitstrekken, uitrekken] < latijn extendere [idem], van ex [uit] + tendere [spannen, uitstrekken] (vgl. tent).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

standaard, standerd znw. m., mnl. standaert, standart, mnd. stanthart, stander m., standerde v.?. mhd. stanthart, standert, ne. standard < ofra. estendard (fra. étendard) ‘vaandel, waarom zich de soldaten scharen’. Ofschoon men verband voelde met fra. étendre ‘uitbreiden’ is het woord niet daaruit te verklaren. Immers ofra. estandart bet. eig. ‘verzamelplaats der soldaten’ en dan ook ‘het daar opgerichte vaandel’. Men leidt het woord af van ofrank. *standōrd ‘plaats van opstelling’. — In de bet. ‘vlag’ > russ. štandárt, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 90-91.

Door suffixsubstitutie is daaruit stander ontstaan en onder invloed van staan dan weer staander. Voor een ander woord stander zie aldaar. — Wat de bet. ontw. aangaat: in de 17de eeuw wordt het woord gebruikt voor het vaandel der cavalerie; de bet. ‘muntstandaard’ stamt uit het ne. evenals die van ‘vaststaand erkend voorbeeld; maatstaf, criterium; bepaald peil van voortreffelijkheid’. — Russ. štandárt is uit het nl. ontleend, want het is een herinnering aan het eerste schip dat de vlag van Peter de Grote op de Oostzee vertoonde (R. v. d. Meulen, Ts 30, 1911, 154-5).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

standaard, standerd znw., mnl. standaert, -art (d) m. “stander, vaandel”. Evenals mhd. stanthart, standert m. (nhd. standarte v.), mnd. stanthart, stander m., standerde (v.?), eng. standard “id.” uit ofr. estendard (fr. étendard) “id.” (van lat. ex-tendere “uit-spannen”). In de germ. talen trad ’t woord met den verbaalstam stand- (zie staan) in associatie. De bett. “muntstandaard, ijkmaat”, nog niet bij Kil., zijn in ’t Eng. opgekomen en vandaar in ’t Ndl. overgegaan. De vorm stander (reeds mnl., mnd.) is door een bij dezen uitgang zeer gewone suffixsubstitutie ontstaan. Hieruit staander onder invloed van staan. In sommige bett. komt stander nog voor (“spil tot steun, kapstok”): voor ’t taalgevoel behoort ’t bij stand.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

standaard m., Mnl. standaert, gelijk Hgd. standarte, en Eng. standard, uit Ofra. estendard (thans étendard), een afleid. van Mlat. stendere, Lat. extendere = uitspreiden (ex = uit, — tendere = rekken, van denz. oorspr. als tenere, tenuis: z. dun).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

standertjie: tafelstelletjie v. asyn, olie en speserye; in dial. Ndl. standertje (persoonlik in Oud-Alblas aanget., vgl. Bosh VT 242).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

standaard (Oudfrans estendard)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

stamgast ‘De relatie tussen de barman en een klant kan zich zo ontwikkelen, dat de barman automatisch een stamgast te voorschijn haalt, als de vaste klant binnenkomt.’ Aldus een informant uit Schiedam, die deze borrelnaam ook buiten de jeneverstad hoorde. Een stamgast hoeft natuurlijk niet per se een glaasje jenever te zijn, maar voor een spaatje zal het niet snel worden gebruikt. Een informant uit Noord-Brabant leverde de vergelijkbare borrelnamen gewone (‘Doe mij maar een gewone’), gebruikelijke en standaardje aan.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Standaard (= Eng. standard; to stand = staan). IJkmaat, internationaal vastgestelde eenheid.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Standaard van ’t It. stendardo, van ’t Lat. extendere = uitspreiden; dus: het uitgespreide doek. Vgl. ’t Ofr. estendard (thans étendard).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

standaard ‘vaandel; voetstuk; maatstaf’ -> Zweeds standert ‘vaandel’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans étendard ‘oorlogsvaandel (verouderd); symbool van een partij’ Frankisch; Russisch štandárt ‘voetstuk; vaandel, vlag’; Oekraïens štandárt ‘standaardvlag, brede wimpel’ ; Azeri štandárt ‘standaardvlag, brede wimpel’ ; Indonesisch setandar, standar ‘vaandel als symbool van militaire eenheid; gestel met voetstuk waarop iets rust (fiets e.d.); maatstaf voor kwaliteit’; Jakartaans-Maleis setandar ‘klein tafeltje, standaard voor tweewielers’; Javaans setandrat ‘voetstuk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

standaard voetstuk 1278 [CG I1, 389] <Frans

standaard maatstaf 1850 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut