Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stand - (houding, gesteldheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stand 1 zn. ‘houding; toestand; rang’
Mnl. stant ‘toestand’ in van den stant van Vrieslant ‘van de toestand van Friesland’ [1343-46; MNW]; vnnl. stand ‘rang, klasse’ in om haren standt ... te bevestighen ‘om haar rang te bekrachtigen’ [1614; iWNT], ‘houding’ [1615; iWNT] en ‘maatschappelijke klasse’ in waer vrye standen zijn [1662; iWNT]; nnl. ook ‘plaats waar iemand staat’ in Wij moeten op die markt al te veel voor onzen stand betalen [1810; Weiland] (verouderd, maar nog herkenbaar in de samenstelling standwerker).
Afleiding van een werkwoord dat nog in het Middelnederlands voorkwam als standen, zie daarvoor onder → staan.
Mnd. stant ‘houding, rang’; ohd. -stant (nhd. Stand ‘houding; toestand; rang’); ofri. -stand, -stond (nfri. stân ‘houding; toestand; rang’); oe. stand ‘vertraging’ (ne. stand ‘stilstand; kraam’, zie → stand 2); nzw. stånd ‘toestand; maatschappelijke staat; marktkraam’ (wrsch. ontleend aan het mnd.); < pgm. *standa-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stand1* [houding, gesteldheid] {stant [toestand, gesteldheid] 1343-1346} middelnederduits, middelhoogduits stant, oudengels stond, stand, van standen (vgl. staan).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stand znw. m., mnl. stant, mnd. mhd. stant (nhd. stand), oe. stond (ne. stand) m. bet. eig. ‘het staan’ en is afgeleid van germ. *standan, waarvoor zie: staan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stand znw., mnl. stant (d) m. = mhd., mnd. stant (d; nhd. stand; ohd. reeds in samenst.), ags. stond (eng. stand) m. “het staan” (en verwante bett.). Van mnl. standen enz.: zie staan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stand m., + Hgd. id.: verbaalabstr. van *standen, besproken bij staan.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Staan, van den Idg. wt. stha = vast, stijf zijn; ook staan (zie Staaf); vandaar ook: stad, stede, stadig, steeds (zie die woorden). Een bijvorm van den Germ. wt. sta is stand (Os. standan), vandaar ons stand. Ook staat, dat ontleend is aan ’t Lat. status, verl. deelw. van stare = staan, behoort hierbij; het woord wil n.l zeggen: de stand, toestand waarin men zich bevindt. Maar ook staat (rijk, land) is hiervan afgeleid; het ziet oorspr. op de regeering, op de standen of stenden der maatschappij, die vertegenwoordigd waren, n.1. de Generale of Provinciale Staten. Zoo verkreeg het woord Staten de bet. van regeering en ook van het gebied, het land dier „Staten”.
Het woord staatsie (plechtigheid) is eveneens een verwant van deze rijke familie. Het woord is ontstaan uit ’t Fr. station, van ’t Lat. statio en bet. de plaats, waar men blijft staan; rust- of standplaats. Een statie is eig. de plaats, waar de processie telkens bij een der tafreelen uit Jezus’ lijden blijft staan, om deze episode met bijzondere plechtigheid te herdenken. (Ook de afbeelding heet „statie”.) Zoo verkreeg staatsie of statie de bet. van: bijzondere plechtigheid. Het gebruik wil, dat staatsie de plechtigheid bedoelt en statie de afbeelding zelf. – Statie is ook de Vlaamsche naam voor ons station = eig. rustplaats. Een grooten „staat” (staatsie) voeren bet. dus: weelderig, voornaam, deftig leven, vandaar ons bijv.nw. statig = deftig, met staatsie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stand ‘houding; gesteldheid, het staan; speelstand’ -> Zweeds stånd ‘klasse, staat, toestand’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch stan(d) ‘speelstand (in sportwedstrijden)’; Jakartaans-Maleis stand ‘speelstand (sportwedstrijden)’; Menadonees stan ‘speelstand (sportwedstrijden); houding’; Negerhollands stand ‘gesteldheid, het staan’; Sranantongo stant ‘houding’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stand* gesteldheid 1343-1346 [MNW]

stand* houding 1615 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut