Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stamelen - (gebrekkig spreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stamelen ww. ‘gebrekkig spreken’
Onl. stameren in de toenaam stamerard ‘stamelaar’ [1169; ONW]; mnl. stamelen ‘hortend spreken’ [1240; Bern.], in Al stamelende sprac hi voort [1350-1400; MNW-R], ook stameren in Als alte dicke es die tonge Doet zoe lispen out ende ionge, Iof stameren ‘als de tong te dik is, doet ze jong en oud lispelen of stamelen’ [14e eeuw; MNW-R], ook ‘lettergreep voor lettergreep spreken (voor de duidelijkheid)’ in Alle die heilighe scrifture sprict ons al(s) stamerende toe ‘De hele heilige Schrift spreekt ons lettergreep voor lettergreep toe’ [1459; MNW] en ‘struikelen’ [1477; Teuth.].
Stamelen en stameren zijn oude nevenvormen met gelijke betekenis. De laatste is tegenwoordig beperkt tot dialectisch gebruik.
Os. stamaron (mnd. stameren, stamelen); ohd. stammalōn, stammarōn (nhd. stammlen); nfri. stammerje; oe. stamerian (ne. stammer); nzw. (dial.) stamla; alle ‘stamelen’; < pgm. *stam(m)alōn-, *stam(m)arōn-.
Deze werkwoorden zijn afleidingen van pgm. *stam(m)al- en *stam(m)ar- ‘stamelend’, waaruit: os. stamul; ohd. stammal; oe. stamor. Op hun beurt komen deze voort uit een werkwoord pgm. *stam(m)ēn-, vergelijk ohd. stam(m)ēn, on. stama en nnl. (Kampens) stamen, alle ‘stamelen’, dat gevormd is van de stam pgm. *stam(m)a- ‘stamelend, stokkend, tegengehouden, gehinderd’. Ook rechtstreeks hieruit gevormd zijn ohd. stam(m), oe. stam(m), on. stamr en got. stamms, alle ‘stamelend’. Van dezelfde wortel afgeleid, maar met een andere ablautstrap zijn → stom, → stommelen en → onstuimig.
Verwant met: Litouws stùmti ‘stoten’, Lets stuostīt ‘id.’, reflexief ‘stotteren’; < pie. *stem- ‘(aan)stoten, stotteren, tegenhouden’ (IEW 1021).
De overgebleven betekenis van stamelen ‘gestuit worden van de tong bij het spreken’ is een verbijzondering van de algemene betekenis ‘stuiten, gestuit worden’, die gehecht is gebleven aan het nauwverwante mnl. en nhd. stemmen, ne. stem. Ook andere verbijzonderde betekenissen, zoals ‘struikelen’, ‘aarzelen’, ‘in lettergrepen spreken’, tonen dat het telkens gaat om een tegengehouden worden of stokken. De verklaring dat stamelen is afgeleid van de wortel van staan is om semantische redenen onwaarschijnlijk.
Lit.: De Jager (1875-78), 694-695; Heidermanns (1993), 544-545

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stamelen* [gebrekkig spreken] {stamelen 1201-1250, vgl. stameren 1437} oudsaksisch stamaron, oudhoogduits stamalon, oudengels stamerian, van een bn. oudhoogduits stamal, oudengels stamor [stamelend]; uiteindelijk van dezelfde stam als staan, dus met de betekenis van ‘onder het spreken telkens blijven staan, stoppen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stamelen ww., mnl. stāmelen, stāmeren, os. stamaron, ohd. stamalōn en stammalōn (nhd. stammeln), oe. stomerian (ne. stammer), afl. van ohd. stamal, mnd. stamer, oe. stomor ‘stamelend’, en dit weer van germ. *stama-: ohd. stam, on. stamr ‘stamelend’ naast *stamma-: ohd. stam, oe. stomm, on. stammr, got. stamms. — Van deze stam ook de ww. ohd. kistemen, mhd. stemen ‘beteugelen’, zowel als mnl. stemmen ‘stelpen, doen bedaren’, mnd. stemmen ‘dringen, vast maken’, ohd. kistemmen ‘beteugelen’ (nhd. stemmen), ne. stem ‘stuiten, tegengaan’, on. stemma ‘indammen, tegengaan’. — lett. stuomîtiês ‘stamelen, struikelen, blijven staan, talmen’, stumt ‘stoten’, lit. stumiù, stùmti ‘stoten, schuiven’. (IEW 1021). — De idg. stam *stem ‘stoten; stotteren, stamelen; tegenhouden’ komt alleen in het germ. en balt. voor en zal wel een afl. zijn van de wt. *st(h)e, waarvoor zie: staak. De bet. ‘stamelen’ is dus uitgegaan van ‘stokken, blijven steken’. — Zie verder nog: stommelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stamelen ww., mnl. stāmelen, stāmeren. = ohd. stamalôn (naast stammalôn, nhd. stammeln), os. stamaron, ags. stomerian (eng. to stammer) “stamelen”. Van ohd. stamal, os. *stamar (mnd. stāmer), ags. stomor “stamelend”. Dit komt van germ. *stama-, ohd. stam, on. stamr “id.”, waarnaast *stamma-, ohd. stam (mm), ags. stomm, on. stammr, got. stamms “id.”. Van *stama- ’t ww. ohd. stamên (naast stammên), on. stama “stamelen”. De bet. “stamelend” gaat wsch. op “stokkend, steken blijvend” terug: dan is hoogerop de idg. basis st(h)â- (zie staan) verwant. Uit ’t Germ. nog hierbij mhd. stëmen “beteugelen”, ohd. ki-stem(m)en “id.” (nhd. stemmen), ge-stëmo dir “animaequior esto, iam cessa clamare”, mnl. stemmen “stelpen, doen bedaren”, mnd. stemmen “dringen, stijf, vast maken”, eng. to stem “stuiten, tegengaan”, on. stemma “id.”, ndl. stommelen (volgens Kil. “Flandr. j. spertelen”), mnl. stommelen “duwen”, oostfri. stummelen, eng. to stumble “strompelen, struikelen”, on. stumra, noorw. dial. stamra “id.” (formeel = os. stamaron), verder stom, onstuimig. Deze heele woordgroep komt volgens een andere opvatting met lit. stúmti “stooten, schuiven”, lett. stůstît “stooten”, refl. “stotteren” (hierbij gr. smṓnē “windstoot” e.a. gr. woorden met sm-?) van een basis voor “stooten”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stamelen, stameren ono.w., Mnl. id. + Hgd. stammeln, Eng. to stammer, On. stamma: denom. van adj. *stamel, Ohd. stam(m)al, Ags. stamar, afgel. van een primitief *stam, Ohd. stam, Ags. stomm, On. stam-r, Go. stamm-s = stamelend, verwant met stom en onstuimig en verder met staan (blijven stokken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stamele (ww.) stotteren; Vreugmiddelnederlands stamelen <1240>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stamelen, stameren, frequent, van een oud stamen (Ohd.), dat blijven staan, tegenhouden bet., en bij ons reeds op ’t spreken sloeg, vgl. ’t Mnl.: „Segh se (n.1. uw zonden) vrij zonder staemen. Het is afgeleid van stam, z. d. w., en bet.: onder ’t spreken blijven staan, vgl. ons stom (in ’t spreken blijven staan, niet verder kunnen, daarna: in ’t geheel niet kunnende spreken), benevens: onstuimig = niet-stilstaande, maar heftig bewogen zijn.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stamelen* gebrekkig spreken 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut