Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stam - (staand deel van een boom; nageslacht van één stamvader)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

stam zn. ‘staand deel van een boom; nageslacht van één stamvader’
Mnl. stam ‘boomstam; nageslacht’ in Die grote boem, die rechte stam ‘die grote boom, die rechte stam’ [1390-1410; MNW-R], Die stam uanden wortel yesse ‘de stam uit de wortel van Jesse’ [1375-1400; MNW-R]; vnnl. ook ‘volksstam’ zoals in Den twaelf stammen die in de verstroyinge zijn ‘Aan de twaalf stammen die in de diaspora zijn’ [1688; iWNT]; nnl. ook ‘lexicale kern van een woord’ [1846; iWNT].
Mnd. stam (waaruit door ontlening nzw. stam); ohd. stam (nhd. Stamm); nfri. stam; alle ‘stam’ en al vroeg ook ‘volksstam’, < pgm. *stamna-. Daarnaast met dezelfde betekenis oe. stemn, stefn (ne. stem) < pgm. *stamni-. In het Gotisch is een woord met andere ablautstrap in de stam overgeleverd, namelijk stoma ‘dieper wezen, grondslag’ < pgm. *stōman-. Zie ook → steven.
Verwant met: Latijn stāmen ‘hoofddraad van een rechtopstaand weefgetouw’; Grieks stḗmōn ‘id.’; Sanskrit sthā́man- ‘standplaats’; Litouws stomuõ ‘gestalte’; Russisch vero. stamík ‘steunbalk’; Oudiers tamun ‘stam’; Tochaars A/B ṣtām, stām ‘boom’; < pie. *sth2mno-, *steh2-m- een afleiding van de wortel *steh2- van ‘staan’ (IEW 1007-1008), zie → staan.
stammen ww. ‘afkomstig zijn’. Nnl. in Dit woord stamt uit 't Fransch [1731; iWNT]. Afleiding van stam of ontleend aan het Hoogduits, waarin het al in 1420 als zodanig is overgeleverd. In het late Middelnederlands is wel al een werkwoord stammen geattesteerd met de betekenis ‘een stam, stengel vormen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stam* [deel van boom] {stam(me) 1350} middelnederduits, oudhoogduits stam, oudsaksisch stamn [steven], oudengels stemn, stefn [stam, steven], oudnoors stafn [steven]; buiten het germ. latijn stamen [schering (van het oorspr. rechtop staande weefgetouw)], grieks stèmōn [idem], oudindisch sthāman- [standplaats]; afgeleid van staan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stam znw. m., mnl. stam, mnd. ohd. stam (nhd. stamm) uit germ. < *stamna-, vgl. os. stamn o. ‘steven van een schip’, oe. stemn ‘stam, wortel, grond, steven’, daarnaast abl. oe. stofn m. v. ‘stomp van boom, stam’, on. stofn o. ‘boomstomp, houtblok, grond’. — oiers tamon ‘stam’, gr. stamĩnes ‘ribben van een schip’, stḗmōn, lat. stāmen ‘schering aan het weefgetouw’, oi. sthāman ‘standplaats’, lit. stuomuõ ‘gestalte’, toch. štām ‘boom’ (IEW 1007-8). — Afl. van *sthā, waarvoor zie: staak.

On. stafn staat naast nnoorw. stamn ‘steven’ en kan -ƀn- < -mn- hebben, maar evenzeer een oorspronkelijk *staƀna zijn, blijkens nnl. steven. De beide stammen zijn dooreengelopen. — Volgens Slicher van Bath, Mensch en land in de Middeleeuwen 2 (1944) 161 noot 218 zou de bet. ‘volksstam’ eerst in de tijd van de Romantiek uit het nhd. overgenomen zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stam znw., mnl. stam (mm) m. = ohd., mnd. stam (mm; nhd. stamm) m. “stam”. Met mm uit mn (vgl. stem) blijkens ags. stemn, stefn m. “stam” (eng. stem). Uit idg. *st(h)ǝ-mno-, *st(h)ǝ-mni-) bij staan. Vgl. vooral ier. tamun “stam” (met andere ontwikkeling van oerkelt. st- ier. samaigim “ik plaats”, kymr. sefyll “staan”), verder met ablaut in wortel en suffix got. stoma m. “stof”, lat. stâmen, gr. stḗmōn “schering aan het weefgetouw”, lit. stomů̃ “gestalte”, oi. sthā́man- “standplaats”; verder nog russ. stamík “rechtopstaand voorwerp”. Zie nog steven.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stam. On. stofn m. ‘onderste deel van de boomstam, fondament’, ags. stofn m. v. ‘stam, tak, spruit’ (< *stuƀna-, -ô-), die gewoonlijk bij Kil. stobbe ‘tronk’ enz. (zie stoppen I) worden gebracht, kunnen met andere reductievocaal als stam (vgl. stok Suppl.; Güntert Abl. 83) hierbij behoren.
Buiten het Germ. vgl. nog toch. B. stâm ‘boom’. Formeel identisch met germ. *stamna- is gr. stámnos ‘grote wijnkruik’ (Lidén St. z. toch. Spr-gesch. I, 36). Voor de bet. vgl. stander ‘kuip’ en germ. verwanten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stam m., Mnl. id., Os. stamm + Ohd. stam (Mhd. id., Nhd. stamm), Ags. stemn (Eng. stem), On. stafn + Skr. sthāma = standplaats, Lat. stamen = schering, Gr. stámnos (= wijnkroeg, d.i. stander), Ier. tamon (d.i. *stamon = boomstam): van wrt. stha: z. staan. Zw. stam, De. stamme uit Ndd.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stam, afl. op m, van den Idg. wt. stha = staan; het woord w.d.z.: wat van den boom staat, vaststaat, dus niet bewogen wordt als de takken. Daar uit den stam de takken voortkomen, spreekt men ook van: afstammen = van denzelfden stam (fig. voorvader) komen; vandaar ook stam als volksstam, en stamboom (geslachtsboom).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stam ‘deel van boom; groep mensen’ -> Engels estaminet ‘café’ ; Deens stam ‘deel van boom, groep mensen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stamme ‘deel van boom’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stam ‘deel van een boom of plant’ (uit Nederlands of Nederduits);? Frans estaminet ‘klein populair café, vooral in het noorden; oorspr.: zaal met zuilen (van boomstammen)’; Creools-Portugees (Ceylon) stam ‘deel van boom’; Papiaments stam ‘deel van boom’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stam* deel van boom 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

95. De appel valt niet ver van den stam (of den boom),

d.w.z. kinderen aarden gemeenlijk naar hunne ouders; mlat. arbor sit qualis, fas est cognoscere malis; ex radice mala nascuntur pessima mala; ex ovis pravis non bona venit avis. Bij Goedthals, 77 vindt men deze gedachte uitgedrukt door: Alle vruchten smaken naer huerliederen boom, de noble estoc naist riche plantage. Den wijn smaeckt geerne zijns stocks, le vin se cognoist a la saueur; mlat. stirpe saporatur pomum quocumque rotatur (Werner, 94). Cats drukt het op de volgende wijze uit: 't Appelken smaeckt gemeenlijck boomigh (zie Bebel, no. 451), dat in het Vlaamsch luidt: het appelken smaakt gemeenlijk boomsch (De Bo, 55). Vgl. ook Mergh. 11: de peere en valt niet wijt vanden boom. Ook in het hd. zegt men der Apfel fällt nicht weit vom Stamm; in Nederduitsche dialecten: de Appel fallt nicht wiet van 'n Stam; de Apel fallt ni widd fon Stamm. Zie Taalgids IV, 254 en vgl. Eckart, 16: de Appel fällt nit wît vam Stamme et en si dann, dat de Bôm schêf am Auwer (Ufer) steht. In het Friesch luidt de spreekwijze: de apel falt net fier fen 'e beam. Vgl. nog het Ndl. Wdb. II, 552; III, 407; 429; Harreb. I, 17 a; fr. de doux arbres douces pommes; eng. the apple falls near the tree; such as the tree is, such is the fruit (vgl. Waasch Idiot. 663 b: zulke tronk, zulk jong). Blauwe doeven, blauwe jongen (Cats I, 424; Groningen IV, 191).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut