Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staketsel - (rij palen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

staketsel zn. ‘rij palen’
Vnnl. staketsel ‘rij palen’ [1573; Thes.].
Gevormd uit staket, aanvankelijk staeckette [1477; Teuth.], met het achtervoegsel → -sel. Het nu verouderde staket, dat ‘paal’ of ‘paalwerk’ betekent, is ontleend aan Oudfrans estakete, estachete ‘paal van een paalwerk’, afgeleid van estaque, estache ‘paal’. Dit woord wordt gewoonlijk als een ontlening beschouwd aan Frankisch *stakka, waarvoor zie → staak. Staket heeft zich als onderdeel van een Franstalige militaire terminologie vanaf de 15e eeuw in de betekenis van ‘paalwerk, palissade’ over West- en Noord-Europa verspreid. De 16e eeuw geeft in het Nederlands een grote toeneming te zien van woorden uitgaande op -sel. Dat staket hiervan deel uitmaakte, wordt te meer waarschijnlijk door zijn collectieve betekenis, die naar zijn aard doet denken aan die van veel woorden op -sel. Volgens een andere verklaring is het Oudfranse woord ontleend aan het Italiaanse stacchetta ‘paalwerk, palissade’, dat zou zijn voortgekomen uit een Gotisch *stakka ‘paal’. In het laatste geval is het woord dus geen terugontlening in het Nederlands.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staketsel [rij palen] {staecketsel [paal, en (collectief) staketsel] 1573} van staket met het achtervoegsel -sel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staketsel znw. o., mnl. staketsel, naast stakijtse, stakitse, afl. van staket ‘paal, staak; palissade’ < ofra. estakette, dat zelf weer uit germ. staak is overgenomen. De tegenwoordige vorm heeft de uitgang aangepast aan het bekende suffix -sel, zoals in stijfsel, boordsel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staketsel znw. o., reeds vroeg-nnl. (later-mnl.?). Van later-mnl. staket(te) o. (v.?), een ook in den Teuth., nhd. en mnd. voorkomend woord, op ofr. estakete, dial. vorm naast estachete, teruggaand. Van germ. oorsprong (staak). ’t Vla. heeft stakijt(sel) o., in de 16. eeuw al stakijts o.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stangkètsel, strangkètsel (zn.) hekwerk; Nuinederlands staketsel <1573> < Aajdfrans estakete.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

staketsel: paalwerk, palissade; Ndl. staketsel (Mnl. staketsel stakijtse/stakitse), uit Ofr. estakette, op sy beurt uit Germ. wd. staca, Ndl. staak, Eng. stake, “paal”; by vRieb “staketsel offte slaghboom”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

staket(sel) (Oudfrans estakette)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staketsel rij palen 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut