Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staf - (stok)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

staf zn. ‘stok; groep medewerkers’
Onl. staf in de samenstellingen buokstaf ‘letter’ (zie → boekstaven) en stafswert ‘stafzwaard’ (zwaardkling aan een stok bevestigd) [beide 10e eeuw; ONW]; mnl. staf ‘bisschopsstaf’ [1200; VMNW], ‘stok’ [1240; Bern.] en ‘zwaard’ [1240; Bern.]; nnl. ook ‘leidinggevend personeel van een organisatie’, zoals in onder den staf behoren een titulair collonel, een lieutenant collonel ... [1766; iWNT].
Os. staf (mnd staf); ohd. stab (nhd. Stab); ofri. stef (nfri. stêf); oe. stæf (ne. staff); on. stafr (nzw. stav); alle ‘stok, zwaard e.d.’. < pgm. *staba-. Daarnaast staat een i-stam *stabi-, waaruit: on. stafir (mv.); got. stafs. Zie ook → staaf.
Verwant met: Grieks staphulḗ ‘wijnstok’; Sanskrit stabhnā́ti ‘hij steunt, hij wordt stijf’; Avestisch stara- ‘vast’; Litouws stãbas ‘post, pijler, afgodsbeeld’, stabýti ‘tot staan brengen’, stebė́ti ‘versteld staan’, Lets stibât, stibuôt ‘moeilijk lopen’; Oudkerkslavisch stoborŭ ‘zuil’; Middeliers sab ‘pijler, stok’; < pie. *stebh-, *stbh-, *stobh- ‘post, pijler, stam; steunen, stijf worden’ (IEW 1012). Mogelijk is deze wortel een uitbreiding van de grondvorm *steh2-, waarvoor zie → staan.
De betekenis ‘groep medewerkers’ vindt haar oorsprong in de staf die oudtijds boodschappers bij zich droegen als wandelstok en legitimatie. In de loop van de tijd werd dit een kenmerk van dienaren die gemachtigd waren als boodschapper op te treden; de bodestaf werd voor hen een ambtsstaf. In het bijzonder werd de staf een waardigheidsteken van hofbeambten die aan ondergeschikten leiding gaven en daarbij als het ware als bode van hun heer optraden. Onder deze ambtsdragers waren de hofmeester, de kamerheer en de → maarschalk. Toen door afsplitsing van het hofmaarschalksambt het ambt van veldmaarschalk ontstond, ging het ambtsteken van de staf daarop over. Op deze manier ingevoerd in de militaire hiërarchie kreeg de staf als teken van bevelsbevoegheid een wijde verbreiding, die doorliep tot in de lagere officiersrangen. De betekenisovergang van symbolen van bevelsbevoegdheid naar de dragers hiervan, de officieren als groep binnen een eenheid, was een grote stap en moet zich in het Hoogduits al lang vóór 1700 hebben voltrokken. In de 17e eeuw werd namelijk al naast de zogenaamde Oberstab (de officieren) ook een Unterstab onderscheiden, bestaande uit schrijvers, ordonnansen, geweermakers enz.
stafrijm zn. ‘beginrijm’. Nnl. in die (gelijke begin)letters heet men rijmstaven en de rijmsoort stafrijm [1859-64; iWNT]. Ontleend aan Hoogduits Stabreim, een purisme dat ten tijde van de romantiek de term Alliteration verdrong. De inspiratiebron hiervoor was de Proza-Edda (omstreeks 1220) van de IJslander Snorri Sturluson, waarin stafr wordt gebruikt voor ‘letter, klank’ (Pfeifer). Stafrijm heeft namelijk betrekking op het herhaald voorkomen van een gelijke beginklank in een versregel, in het bijzonder in de Germaanstalige dichtkunst.
Lit.: K. von Amira (1909), Der Stab in der germanischen Rechtssymbolik, München, 23-26 en 48-70

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staf1* [stok] {in de plaatsnaam Stafala, nu Stavele (W.-Vl.) 1110, staf 1200} oudsaksisch, middelnederduits staf, oudhoogduits stab, oudfries stef, oudengels stæf, oudnoors stafr, gotisch stafs; buiten het germ. litouws stabas [staf, zuil], lets stabs [zuil], oudkerkslavisch stoborŭ [zuil], oudindisch stabhnāti [hij steunt]; hogerop verwant met staan. De uitdrukking de staf over iemand breken [een afkeurend vonnis over iem. uitspreken] stamt uit de Middeleeuwen, toen de staf het zinnebeeld van de hoogste rechtsmacht was. Boven het hoofd van de veroordeelde brak de rechter zijn staf om aan te geven dat hij de macht kwijtraakte om hem te beschermen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staf znw. m., mnl. staf m., mnd. staf, ohd. nhd. stab, ofri. stef, oe. stæf (ne. staff), on. stafr m. ‘staf, stok, stut’. — idg. *stobh vgl. lit. stabas ‘idool’ (eig. ‘houten paal’), lett. stabs ‘stut, pijler’, oi. staƀhnấti en stambhatē ‘steunt, houdt tegen’, lit. stabyti ‘tot staan brengen’, toch. A stow ‘stok’ (IEW 1012-3). — Zie: staven, steven en stobbe en verder: staak.

Reeds vroeg is het woord gebruikt voor de uit rechte strepen bestaan de runentekens, vgl. os. staƀ, oe. stæf, on. stafr en got. 3de nv. mv. stabim = stoicheĩa. Zie ook: boekstaven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staf znw., mnl. staf (v) m. = ohd. (nhd.) stab, mnd. staf, ofri. stef, ags. stæf (eng. staff), on. stafr m. “staf, stok, stut”, in ’t Ags. en On. ook “letter”, evenzoo os. staƀ — zie bij boek —; het Got. kent het mv. (dat. stabim) als vertaling van gr. ta stoikheía “de elementen”. Nog eenige germ. verwanten zijn bij stijf genoemd. Wsch. met idg. bh en met lit. stābas “afgodsbeeld”, stébas “stok, steunzuil”, opr. stabis “steen” verwant (zie echter stapel), verder met lit. stambas “stronk” (zie echter stomp I, stomp II), stembrỹs “stengel”, gr. astemphḗs “vast” (a- < *sṃ-), oi. stabhnā́ti “hij steunt”, stambha- “zuil, post”, av. stawra- “vast”: idg. basis st(h)e(m)bh- “stevig zijn, steunen”, hoogerop met st(h)â- (zie staan) verwant. Minder wsch. is de directe combinatie van staf met oi. sthâpayati “hij stelt” enz. (zie stappen), met idg. p. Zie nog staven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

staf m., Mnl. id., Os. id. + Ohd. stap (Mhd. id., Nhd. stab), Ags. stæf (Eng. staff), Ofri. stef, On. stafr (Zw. staf, De. stav). Go. stafs: van hier staven.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Staaf, staf, verwant met stijf; vgl. ’t Ohd. staben = stijf zijn, van den Idg. wt. sthap = vast, stevig zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

staf ‘stok’ -> Fries staaf ‘stok’; Javaans setap ‘stok’; Papiaments staf ‘stok’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staf* stok 1110 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2153. Den staf breken over iemand (of iets),

d.w.z. hem veroordeelen, een afkeurend oordeel uitspreken over iets; hd. den Stab über jemand brechen. De uitdr. is ontleend aan het vroegere rechtswezen. De rechter brak na het uitspreken van het vonnis zijn houten staf boven het hoofd van den veroordeelde in stukken, met de woorden: ‘Nu helpe u God, ik kan u niet meer helpen’ of ‘Ik verbreek met dezen staf tegelijk den band tusschen u en de menschheid’. Dit stukbreken had een bijzonderen zin. ‘Tusschen de volksgenooten bestond een vredeverbond, dat door het rechterlijk gezag werd gehandhaafd en dat ieder op veiligheid van persoon en goed aanspraak gaf. Gaf de rechter zijne macht tot bescherming van eenen enkele prijs - en dat deed hij door zijn staf, het symbool zijner macht, boven het hoofd des veroordeelden te breken - dan werd deze vredeloos en kon in ouden tijd ieder, in later tijd de scherprechter, hem straffeloos dooden’Zie Fockema Andreae in de Mededeelingen van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde, 1897/98, bl. 121-123; Grimm, Rechtsalterth.4 I, 187; Günther, 160; K.v. Amira, der Stab in der Germ. Rechtssymbolik, München, 1909, bl. 84 vlgg.: Der stab in der Hand des Richters ist nicht Wahrzeichen eines Hoheitsrechtes oder Amtes, sondern Wahrzeichen des im Amte vorliegenden Auftrages... Der stab wird gebrochen ‘ut potestate cessante’, weil der dem Richter erteilte Amtsauftrag gegenüber dem Verurteilten zu Ende ist..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut