Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staat - (toestand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

staat 1 zn. ‘toestand’
Mnl. staet ‘toestand, gesteldheid, omstandigheden’ in so ghingen der nonnen lede ten irsten state ‘toen keerden de ledematen van de non terug in hun oude toestand’ [1265-70; VMNW], ‘positie, rang, stand’ in van haren staet & van haren goede ‘wat betreft hun positie en hun bezit’ [1299; VMNW], ‘geschikte gesteldheid, bekwaamheid’ in diene in state sach so dat hine bisscop wiede ‘die hem geschikt oordeelde om hem tot bisschop te wijden’ [1394-1402; MNW], ‘stand, rang, status’ in meneghe joncfrou van groten state ‘menig jonkvrouw van hoge stand’ [ca. 1410; MNW], Vander drierehande staet der werlt ‘over de drie soorten standen in de wereld’ [ca. 1480; MNW]; vnnl. staet ‘toestand’ in in huwelicken state ‘in de huwelijkse staat’ [1548; Stall.], ‘vereiste toestand, bekwaamheid’ in in staet zyn, om te ... [1642; WNT], ‘officieel afgekondige toestand’ in staet van oorloch [1657; WNT]; nnl. staat ‘toestand’ in in goeden staet [1725; WNT], Lijken die, uit hoofde van den staat van ontbinding, niet naar eene begraafplaats kunnen worden gebragt [1869; WNT], in kennelijken staat van dronkenschap [1881; WNT kennelijk], ‘gemoedstoestand’ in hij was in alle staten ‘zeer opgewonden, volledig overstuur’ [1925; WNT].
Ontleend, mogelijk via Oudfrans estate ‘toestand, gesteldheid’ [1213; TLF] (Nieuwfrans état), aan Latijn status ‘positie, wijze van staan’, zie → status. Voor de betekenis ‘land, natie’, zie → staat 2.

staat 2 zn. ‘land, college van vertegenwoordigers van land, gewest of provincie’
Mnl. eerst het mv. staten ‘vertegenwoorders van een deel der burgerij’ in die state van Vlaendren [1385; MNW], by raede ende goedtduncken ... der drie staten onser voors. landen ‘na overleg met en goedkeuring door de vertegenwoordigers van de drie standen van onze genoemde landen’ [1428; MNW], By goetduncken vande staten onser landen [1476; MNW], ‘officiële vertegenwoordigers van het volk’ in de Staten van Onsen Lande van Hollandt ende Vrieslandt [1495; WNT]; vnnl. staten ‘officiële vertegenwoordigers van het volk’ in de Staten van Vrieslant [1551; WNT], ‘regeringscollege’ in ter Vergaderinge der Staten Generael [1576; WNT], dan ook staet ‘regeringsbestel, staatsvorm’ in Den staet van regieringe ofte forme van Republique [1594; WNT], een' vryen staet ‘een republiek’ [1625; WNT], dan ook staet ‘natie onder één bestuur’ in reden van staet ‘staatsbelang’ [ca. 1635; WNT], alle Staten van de weereld [1658; WNT]; nnl. staat ‘land, rijk’ in De Buitenlandsche bezittingen en Coloniën van den Staat [1798; WNT], ‘grondgebied van een land’ in de grenzen van den Staat [1848; WNT].
Hetzelfde woord als → staat 1. De betekenis ‘bestuur, volksvertegenwoordiging’ is deels ontwikkeld via ‘vertegenwoordiging van een deel van het volk’ uit de betekenis ‘rang, stand, deel van het volk’. Tegelijkertijd werd de betekenis ‘bestuur, natie onder één bestuur’ ook ontleend aan Frans état ‘natie onder één regering’ [ca. 1500; TLF], eerder al estat ‘politieke en sociale toestand in het feodale Frankrijk’ [ca. 1376; TLF], nog eerder estate ‘toestand’ [1213; TLF]; het Franse woord gaat terug op Latijn status ‘positie, wijze van staan’, zie → status.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staat [toestand, land] {staet [toestand, stand, huishouding, vast verblijf] 1265-1270; de betekenis ‘land’ 1599} < latijn status [het staan, positie, in me. lat. ook staat van], stare [staan]. De uitdrukking staat maken op [rekenen op] stamt van staat in de zin van ‘begroting’, die voortkomt uit die van de lijst van ontvangsten en uitgaven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staat znw. m., mnl. staet m. v. ‘toestand, levenswijze, positie, ambt, aanzien, staatsie’, < lat. status of ook < ofra. estat (nf. état). Uit het fra. stamt het mv. ‘vergadering van volksvertegenwoordigers’ (1385 vlaams, 1428 noordnl.) en ook die van ‘respublica’ (16de eeuw) > nhd. (sedert 1677).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staat znw., mnl. staet m. v. “toestand, levenswijze, positie, ambt, aanzien, staatsie”, later-mnl. in ’t mv. ook al = “stenden”. Uit lat. status resp. ofr. estat (fr. état). Ook in ’t Mhd. (Nhd.), Mnd., Eng. ontleend. De bett. “respublica” (16. eeuw) en in ’t mv. “vergadering van volksvertegenwoordigers” (vla. 1385, noordndl. 1428) zijn van fr. état, ofr. estât overgenomen. Deze bett. ook in andere talen; in ’t Du. uit ’t Ndl. geïmporteerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

staat m., Mnl. staet, gelijk Hgd. staat, Eng. state, Fr. état, uit Lat. statum (-us), afgel. van ’t v.d. van stare: z. staan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

staatmaak ww.
Vertrou, reken.
Uit Ndl. staatmaken (1708). Staat beteken 'batelys, inventaris', dus sou staatmaak lett. ''n batelys of inventaris opstel' kon beteken, vandaar die betekenisontwikkeling tot 'vertrou, reken'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die afleiding staatmaker.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

staat (de, staten), (ook, veroud.:) 1. plantage* (A. 1). De staten, welke nu niet in de mogelijkheid zijn, om de kosten tot het aanleggen van stoomwerktuigen te bestrijden, zullen eenen anderen weg dienen in te slaan () (Kuhn 1828: 89; oudste vindpl.). - 2. Zie veestaat*. - Etym.: Vgl. E estate = o.m. een grondbezitting. - Samenst. van 1: koffiestaat*, suikerstaat*. Zie ook: de Staten*.
— : de Staten, (tot 1980) de landelijke volksvertegenwoordiging, het parlement. Bij wijze van spreken, Pengel kon een wet of een besluit op een stuk closetpapier neerschrijven en het naar de Staten sturen. Hij had daar een meerderheid die op alles ja en amen zei (Dobru 1969: 62). - Etym.: In AN alleen nog gebr. in ’Staten Generaal’ en ’Provinciale Staten’ en in enige samenst. - Samenst.: statenlid, statengebouw enz.; statenfabrikant*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

staat ‘land’ (Frans état); ‘toestand, positie’ (Latijn status); (een -- in een/de --) (vert. van Latijn imperium in imperio; (Provinciale Staten) (vert. van Frans Etats Provinciaux); (Verenigde Staten) (vert. van Engels United States)
staat van genade (vert. van Frans état de grâce)
staat van beleg (vert. van Frans état de siège)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

staat ‘stand, toestand, lijst’ -> Indonesisch setat ‘lijst, rol, opgave’; Ambons-Maleis stat ‘lijst’; Javaans setat ‘ambtelijke opgave’; Kupang-Maleis stat ‘lijst’; Madoerees ēstat, sēttat ‘lijst, staat, opgave’; Menadonees stat ‘lijst’; Minangkabaus setat ‘lijst, register’; Soendanees setat ‘staat, lijst’; Ternataans-Maleis stat ‘lijst’.

staat ‘land, rijk’ -> Duits Staat ‘land, rijk’; Russisch státskij ‘burger; (Bargoens) honderd roebelbankbiljet’; Oekraïens státskij ‘burger’ ; Papiaments † staat ‘land, rijk’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

drankwet [wet op de verkoop van alcoholhoudende dranken] (1881). In 1881 wordt een Drankwet uitgevaardigd om het misbruik van sterke drank te beteugelen. Neerlandicus Jan te Winkel constateert in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “De drankwet (zelf een nieuw woord) van hetzelfde jaar [1881] is oorzaak geworden, dat het woord vergunning eene zeer eigenaardige beteekenis heeft aangenomen, zoodat men het in de oude beteekenis nauwelijks meer durft te gebruiken. Ook in kennelijken staat is sinds dien tijd, zelfs zonder de vroeger noodzakelijke aanvulling, eene nieuwe, algemeen begrepen uitdrukking voor “dronken” geworden. De voorbereiding tot dien staat werd eertijds in het “wijnhuis” gegeven, doch dien naam hoort men tegenwoordig maar zelden meer: hij is verdrongen door de ook reeds bedaagde woorden “tapperij” of “kroeg”. Maar in den laatsten tijd is daarvoor een deftiger naam uitgevonden: proeflokaal, als vertaling van “salle de dégustation”, niet te verwarren met het even jonge woord proefstation. Wie zich aan het proeven in de eerste gelegenheid te buiten gaat, wordt in beschaafde kringen meer en meer alcoholist geheeten. Zijn tegenbeeld is geheelonthouder, de voorstander van melksalons, de verbruiker van het in kogelfleschjes bewaarde spuitwater of van den overouden drank, die onder den Engelschen naam “squash” als iets nieuws zoozeer in de mode is gekomen, dat het woord reeds tot kwast is vernederlandscht.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staat toestand 1265-1270 [CG Lut.K] <Latijn

staat land 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2147. In staat van wijzen verkeeren.

De uitdr. staat van wijzen komt in de 16de eeuw voor bij Kiliaen: Staet van wijsen, status judicii; proces ghestelt in staet van wijsen, controversia profligata, litis agitatio profligata et ad judicationem vergens. Het znw. ‘staat’ heeft hier de beteekenis van ‘toestand’ (vgl. in dien staat van zaken; in goeden staat verkeeren), terwijl men onder ‘wijzen’ moet verstaan ‘vonnissen’.Van dit wijsen, vonnissen, is ook afgeleid het znw. gewijsde, vonnis, dat voorkomt in de uitdr. in kracht van gewijsde gaan, onaantastbaar worden, vooral door het verstrijken van den termijn, voor het aanwenden van gewone middelen van beroep gesteld; Ndl. Wdb. IV, 2094 en R.v. Utr. Gloss. 111. Een wetsvoorstel is dus ‘in staat van wijzen’ als het in dien toestand verkeert, als het zóó is voorbereid, dat men er over kan oordeelen, het genoeg is voorbereid om in 't openbaar behandeld te worden.

2149. Staat maken op,

d.w.z. vertrouwen op; vgl. rekening maken op, op iets rekenen. Het znw. staat beteekent in deze uitdr. eig. lijst van ontvangsten en uitgaven, inventaris (zie Mnl. Wdb. VII, 1895 en thans nog in Zuid-Nederland); vandaar berekening. ‘Staat maken op’ beteekent dus zijn gissing, zijn berekening maken op; vandaar vertrouwen op iets, zich op iets verlaten, op iets rekenen. Zie De Brune, Bank. 2, 106: Dewijle dan de meeste menschen zonder compas zeylen, zoo en is op haer streke niet te gleuzen, of staet te maken; Huygens, Oogentr. 259; Pamfl. Muller, 3934, 8 r; Asselijn, 237: Staet te maaken op Oomen zyn droomen; Van Effen, Spect. VI, 16; Sewel, 748; Halma, 605: Ergens staat op maken, zig verlaaten, betrouwen; enz.; Afrik. 'n staatmaker, iemand op wien men rekenen kan. In het Vlaamsch ook staat gaan op; in het Westvl. boôm maken op (De Bo, 165 b; fr. faire fond sur quelqu'un).

2150. Staat voeren,

d.i. ‘bij een plechtige of feestelijke gelegenheid de aan zijn rang en stand passende pracht ten toon spreiden’; vgl. mnl. staet, praal, pracht; enen staet (van eren) houden, een grooten staat voeren; Kil.: Staet, pompa, apparatus solennis cum ostentatione et magnificentia; mnl. (sinen) staet houden; ofr. tenir son estat, d.i. in staatsie zitten; maar ook: zijn staat ophouden; met (grooten, schoonen) state, met staatsieTijdschrift, XVII, 231 vlgg. en Mnl Wdb. III, 629; VII, 1893. Door versmelting van staat met stag(i)e is staatsie ontstaan.; Halma, 605: Hij voert grooten staat, il fait grande ou belle figure; II, 332: Porter un trop haut état, s'élever au dessus de sa condition, een al te hoogen staat voeren, te hoog vliegen. Vgl. fr. tenir un grand état; hd. (groszen) Staat machen; fri. in greate steat en 't gat bleat; steat meitsie.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut