Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staart - (achterste uitsteeksel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

staart zn. ‘achterste uitsteeksel’
Onl. stert alleen in toponiemen, bijv. in in villa Calvastert ‘in het dorp Kalfsstaart’ [ca. 1120; ONW]; mnl. stert ‘staart’ [1240; Bern.], staert [1285; VMNW], start [1287; VMNW].
Ontwikkeld uit Proto-Germaans *sterta-, met -e- > -aa- voor r + dentaal zoals in → haard. Varianten met -ee- of -e- komen nog in diverse dialecten voor.
Mnd. stert; ohd. sterz (nhd. vero. Sterz); ofri. stert; oe. steort (ne. vero. start, behalve in de samenstelling redstart ‘roodstaart (vogelgeslacht Phoenicurus)’); on. stertr (nzw. stjärt); < pgm. *sterta-.
Uit pie. *sterd-, wrsch. een dentaalafleiding van de wortel *(s)ter- ‘stijf’ van → star. De staart zou dan benoemd zijn als stijf uitstekend lichaamsdeel. Uit de nevenvorm *sterdh- zijn o.a. Grieks stórthē, stórhunx ‘speerpunt’ en Oudnoords stirðr ‘stijf’ ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staart* [achterste gedeelte] {in de plaatsnaam Stertbeca, nu Sterrebeek (Belgisch-Brabant) 1197, steert 1201-1250, staert 1287} oudhoogduits sterz, oudfries stert, oudengels steort, oudnoors stertr; buiten het germ. grieks storthugx [spits, slagtand], oudiers tarr [staart], litouws tursas [achterste].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staart znw. m., mnl. steert, stert, staert, start m., mnd. stert, start, mhd. nhd. sterz, ofri. stert, stirt, oe. steort (ne. start), on. stertr. — Verder mhd. starzen, sterzen ‘stijf naar boven richten’, on. sterta ‘strak aantrekken’, stirtla ‘met moeite oprichten’, verder nog mhd. stürzel m. ‘stronk, stomp’. — Idg. wt. *sterd, waarnaast *sterdh (of *stert?) in on. stirðr ‘stijf, log’, storð v. ‘gras, stengel, jonge boom’, beide afl. van de onder star behandelde wt. *ster. — Zie verder nog: storten.

Voor de dialectische vormen zie de kaart van P. J. Meertens, Taalatlas afl. 4, 13.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staart znw., mnl. ste(e)rt, sta(e)rt m. Dial. nnl. komen vormen met korten en met gerekten klinker voor. = mhd. stërz (nhd. sterz), mnd. stërt, start, ofri. stërt, stirt, ags. steort (eng. start), on. stërtr m. “staart”. Hierbij mhd. starzen, sterzen “stijf naar boven richten”, on. sterta “stijf strekken”, stirtla “oprichten”, met schwundstufe mhd. stürzel m. “stronk, stomp”. Deze basis germ. stert-, idg. stl(h)erd- sluit zich evenals idg. st(h)erdh- (waarvan on. stirðr “stijf, hard”, storð v. “groene stengel”, gr. stórthunks “punt”, stórthē; to oxú toú dóratos, kai epidoratís, Hes.) bij st(h)er- (zie staar) aan. Een anlautvariant ter-d-, die men voor noorw. tort, turt “sonchus alpinus”, gr. tórdūlon “een soort plant” wel aanneemt, wordt door deze woorden allerminst bewezen. Vgl. eer met t-anlaut lit. tursas “achterste”, ier. tarr “achterste deel, staart”, waarvoor men idg. rts (event. uit rd-s) aannemen kan en noorw. dial. tart “staartbeen”. Zie nog storten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

staart. Ier. tarr wordt beter met ‘buik’ vertaald.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

staart m., Mnl. stert + Ohd. sterz (Mhd. id., Nhd. id.), Ags. steort (Eng. start), Ofri. stert, On. stertr (Zw. stjärt, De. stjert) + Gr. stórthē = scherpe punt, Oier. tarr = staart, Lit. tursas = achterste.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

start (zn.) staart; Vreugmiddelnederlands stert <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

staart (de, -en), (ook, gemeenz.:) achterste van een mens. Terwijl die hond je aankijkt van voren, is hij allang achter je staart! (Cairo 1981c: 387). - Etym.: In AN veroud. Vgl. S tere (= staart), dat ook wel voor ’achterste’ gebruikt wordt.
— : zijn staart zakken (zakte, heeft gezakt), gaan zitten. Jonge, zoek een plaats, zak je staart daar hoor! (Cairo 1978b: 102). - Etym.: Zie zakken* (3), zie staart*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

stêre: (alleen mv.) boude, doeb. v. stert, mv. sterte (Kloe HGA 100 skryf sterre); Ndl. staart (Mnl. ste(e)rt/sta(e)rt, dial. nog ste(e)rt/start), Hd. sterz, Eng. start, hou verb. m. Gr. storthunx, “punt” (bv. v. dier se horing).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

staart: (destijds in Ned.-Indië) Chinees. Syn.: langstaart*.

Vaak zoekt de soldaat zijn troost bij een muskietenvestje of een glaasje Jan Doedel. De slokjesboer of staart (Chinees) zal hem hieraan helpen. (Jac. van Ginneken en H.J. Endepols, De regenboogkleuren van Nederlands taal, 1917: Het Oost-Indisch)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

staart. In tegenstelling tot de dieren heeft de mens geen staart. Toch heeft men op sommige plaatsen op aarde volgens de oude naslagwerken wel mensen met een staart gevonden. Als grappige verwensing komt voor krijg een staart! of ik wou dat je een staart had/kreeg! Hiermee wordt ergernis uitgedrukt. De zelfverwensing ik mag een staart krijgen als het niet waar is! ‘verdomd’ werd oorspronkelijk als vrome wens gebruikt, later door oneigenlijk gebruik als uitroep van verontwaardiging en eindelijk als een soort vloek, soms zonder enige betekenis. Inez van Eijk (1980: 80) kent de uitbreiding krijg een staart met een jeukende punt en geen nagels om te krabben! Sanders en Tempelaars (1998) vonden ook nog ik hoop dat je een staart krijgt van hier tot Amsterdam en dat het achterste eindje jeukt! en krijg een staart met een blikkenpunt, dan kun je rammelen. Uit hun materiaal noteerden wij ook nog krijg een staart met ballen en jeuk aan het puntje, en een houten poot met houtworm en kogellagers tussen je kiezen! Hilversum is de bakermat van deze drieledige verwensing die megawoede, -minachting, -ergernis enz. uitdrukt. → krijgen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

staart ‘achterste gedeelte; dun eind touw’ -> Russisch štert; ook: škert ‘boeireep, dun eind touw’; Negerhollands steert, stēt ‘achterste gedeelte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staart* achterste gedeelte 1197 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

6. Hij is te vangen als een aal bij den staart,

d.i. hij is zoo weinig thuis, dat men hem maar hoogst zelden te spreken kan krijgen; ook: zoo vlug en handig, dat men hem bij eene discussie niet schaakmat kan zetten. Vgl. no. 7.

7. Een aal (of een paling) bij den staart hebben,

d.i. zich bezig houden met eene zaak of onderneming, die wel denkelijk uit de hand ontglippen of mislukken zal. In het mlat. qui tenet anguillam per caudam, non habet illam (Werner, 80); bij Goedthals, 18: eenen palingh bij den steerte hebben, a grand pêcheur eschappe anguille; Campen, 118: hij is te holden as een Ael by den stert; Sartorius I, 5, 52: cauda tenes anguillam. Ghy hebt een gladden Ael by de steert: in eos apte dicitur, quibus res est cum hominibus lubrica fide, perfidisque: aut qui rem fugitivam atque incertam aliquam habent, quam tueri diu non possint. Zie verder Velth. IV, 1, 25: Dus heeft een t rike na sine begerte alse een ael bi den sterte; Roemer Visscher, Sinnepoppen, 178; Coster, 49 vs. 1160; De Brune, 61; Pers, 760 a; Winschooten, 1; Idinau, 14:

 Den paelinck by den steerte houden.
Hy houdt den palinck by den steerte,
 Soo wie sijn saeck niet vast en heeft.
 Neemt rijpen raedt, tot uwer begheerte,
 Ende u stuck alle versekerheydt geeft.
 T' is toe-siens weerdt, daert al aen-kleeft.

Sewel, 1: Hy heeft een gladden aal by de staart, he has a wet eel by the tail; Halma, 1: Eenen aal bij den staart houden, tenir une anguille par la queue, c'est à dire, en façon de parler proverbiale, tenir le loup par les oreilles, être fort embarassé.

Vgl. nog Tuinman, I, 367; Harreb. I, 1b; III, 97; Erasmus. bl. 83-85; Rutten, 168: Iets zoo vast hebben als eenen paling met zijnen steert, zeer onzeker zijn van iets; fri. in gledde iel by de stirt habbe; hd. den Aal beim Schwanze fassen; wer den Aal nimmt beim Schwanz hat ihn weder halb noch ganz; fr. qui prend l'anguille par la queue et la femme par la parole, peut dire qu'il ne tient rien; eng. there's as much hold of his word as there is of a wet eel by the tail, waarmede te vergelijken is De Brune, 176:

 Die by den steert een palingh houdt,
 En op een vrouwes woorden bouwt;
 Die magh wel zegghen met verdriet,
 't Is al maer wind, 'k en hebbe niet.

(Aanv.) Vgl. nog Rose, 9119 vlgg.: Want een wijf es, dat verstaet, // Langhe te houdene also quaet, // Dier wille men niet al en doet, // Als te houdene es in eene vloet // Die ael met sinen sterte.

520. Als men van den duivel spreekt, is hij nabij.

Deze spreekwijze gebruikt men, wanneer over iemand, die afwezig is, gesproken wordt, en deze juist verschijnt; vgl. Brederoo in zijn Rod. ende Alph. vs. 72: Gemeenlijck is omtrent de gheen daarmen van spreckt’. In de 16de eeuw was zij bekend; vgl. Goedthals, 9: Daermen van den duvel cout, hy isser gheerne omtrent; Mergh, 7: Daer men van den duyvel vermaent is hy geern by. In de plaats van deze laatste woorden vindt men ook wel het toevoegsel: dan rammelt reeds zijn gebeente of dan ziet men (of trapt men op) zijn staart of ziet men zijn horens of zendt hij zijn gasten of is hij oorwege, in 't weer. Zie Langendijk, Wederz. H. vs. 1458: 'k Praat van den drommel, en daar komt hy zelf op 't mat; Harrebomée III, 171 b; Molema, 94 a; Jongeneel, 89; Waasch Idiot. 196 a; Joos, 148 en Tuerlinckx, 166.

In Duitsche dialecten is de spreekwijze ook zeer gewoon. Vgl. Wander IV, 1098 en 1099: Wenn man des Teufels gedenkt, ist er nicht weit; wenn man von dem Duiwel sprückt, dann sitt he up de Heckedür; wenn man von Teufel spricht, so klappert (schlottert) sein Gebein; wenn man den Wolf nennt, so kommt er gerennt; enz. Zie ook Bresemann, 233; Taalgids IV, 246 en VII, 210 en vgl. het eng.: talk of the devil and he will (or his imps) appear of he is sure to come; speak of an angel and you hear the rustle of his wings; fr. quand on parle du loup, on en voit la queue; fri. as men oer de divel praet, is er ornaris (gewoonlijk) tichte by. In het Latijn zeide men lupus in fabula, in sermone (Otto, 199-200).

926. Komt men over den hond, dan komt men ook over den staart,

d.w.z. wanneer men de grootste moeilijkheid te boven is, dan zijn ook de andere, meer gemakkelijke, te overwinnen (18de eeuw). Vgl. Sewel, 619; Halma, 484: Kom ik over den hond, ik kom wel over den staert, kom ik 't grootste over, zoo kom ik ook wel 't minste over. In het hd. eveneens: kommt mann über den Hund (oder Fuchs), so kommt mann auch über den Schwanz. Juist door dit voorkomen in vele Duitsche dialecten (zie Wander II, 852; Eckart, 223 en Taalgids IV, 287) is het onmogelijk bij hond te denken aan den Scheldearm van dien naam, zooals Harrebomée I, 325 doet en men ook leest in Taalgids VIII, 117. In Zuid-Nederland zegt men: als men over den kop kan, kan men over den steert (Schuermans, 278 a); die over den hond kan, moet over den steert kunnen (Waasch Idiot. 293), dat ook doet vermoeden, dat we bij hond aan een dier moeten denken, waarin wij nog versterkt worden door de fransche spreekwijze: quand on a avalé un boeuf, il ne faut pas s'arrêter à la queue. In het Friesch: kom ik oer 'e houn, den kom ik oer 'e stirt naast dy 't oer in balke springt moat oer in strie net stroffelje. De oorsprong is tot nu toe onzeker. Dr. D.C. Hesseling, wijzende op de fr. spreekwijze, denkt, dat de naam van het dier niet de hoofdzaak is, welke meening bevestigd wordt door de Grieksche spreekwijzen: iemand at een os op, maar bij den staart gaf hij 't op; hij heeft den geheelen ezel opgegeten, en bij den staart gaf hij 't op. De ezel komt hier, evenals de os, voor om het zware werk nog moeilijker voor te stellen. ‘Aan eene dergelijke neiging om te vergrooten, heeft men vermoedelijk in ons spreekwoord 't woord hond te danken. Hiermee in overeenstemming is 't Russische spreekwoord: ‘Den hond at hij op, maar in den staart stikte hij.’ ‘Ik veronderstel,’ aldus gaat Dr. Hesseling voort, ‘dat al deze gezegden hun oorsprong danken aan 't verhaal van iemand die een Herculestaak had te vervullen en ondervond dat de laatste loodjes het zwaarst wegen. Wij hebben de optimistische opvatting van 't geval in spreekwoord gebracht’ (Gids, Oct. 1902, bl. 101Zie ook Taal en Letteren XIV, 171; Krumbacher, Eine Sammlung byzantinischer Sprichwörter, München, 1887, bl. 48.).

1242. Kop noch staart,

in de zegswijze ‘daar is kop noch staart aan te vinden’, daar is geen verband in, d.w.z. begin noch einde aan te vinden, daar is niet uit wijs te worden. Vgl. Rein. II, 4220: Hi laet sijn reden staen ten halven sonder hooft of sonder steert; Servilius, 109*: ten heeft hoot noch steert dat hy seyt; Sart. I, 1, 49: ick weet noch hooft noch staert van 't geen hy seyt; VII, 10: ick weet daer hooft noch staert af; zie verder Winschooten, 87; Tuinman I, 212; Halma, 223; Harreb. III, 265; Nkr. II, 17 Mei p. 5; Prikk. IV, 17: Het opdringerige kereltje kon er kop noch steert aan krijgen dat eene dame aldus zijne moden kon misprijzen. In de 18de eenw schijnt ‘hoofd’ plaats te hebben gemaakt voor ‘kop’; vgl. C. Wildsch. I, 58: 't Heeft kop noch staart. In Belg. Brab. kop noch steert aan iets kunnen krijgen, er geen gat in zien; Land v. Waas: daar is hoofd noch steert aan, ik versta niets van wat ge zegt; Antw. Idiot. 1836; Teirl. II, 173: geene kop an iet krijgen, het niet begrijpen. Elders in Zuid-Nederland: deur noch dorpel aan of door iets zien (Schuermans, 93). In Deventer: ik kan d'r gîn start of stelle an vast maken (Draaijer, 39 a). In het gri. ακεφαλος μυθος (Zenob. I, 59); in het Latijn: nec caput nec pedes (of pedem) habere (Otto, 74; Wyss, 66). De Duitschers zeggen: die Rede hat weder Hand noch Fusz; nd. dat heft weder Kopp noch Stêrt (Eckart, 284); fr. cela n'a ni queue ni tête, dat is onzin; eng. a story without head or tail; I cannot make head or tail of it; fri. der is gjin kop noch stirt oan te finen, geen begin of einde; afrik. nie kop of stert van iets kan uitmaak nie, er niets van begrijpen.

1575. Dat (of het) is een muisje met een staartje,

d.w.z. eene zaak, die (meestal onaangename) gevolgen na zich sleept, evenals een kleine muis een vrij langen staart heeft, dien men, als het diertje ineengedoken zit, er niet achter zou vermoeden. Eene in de 17de eeuw o.a. bij Winschooten, 159 en 284 voorkomende uitdrukking in den zin van: ‘daar schuild wat meer, als men wel meend, of wel soude kunnen denken’, die ook staat opgeteekend bij Tuinman I, nal. 27 met de verklaring: ‘die zaak heeft een gevolg’; Sewel, 749: Het is een muis met een staartje, daar schuilt wat agter; Halma, 363: Dat muisje heeft een staertje, daar schuilt wat agter, il y a quelque chose de caché la-dessous; Harreb. II, 108; Ndl. Wdb. IX, 1208; Villiers, 83. Ook in Zuid-Nederland bekend, volgens Joos, 80: Dat muisken zal een steertje (of nen steert) hebben, die zaak zal gevolgen hebben, slecht eindigen; in Aken: dat Müsche hat e Stätzche krège (kriegt), die Sache hat wichtige Folgen gehabt (Wander III, 547Vgl. Reyn. II, 7516: Och heer, die ghene die des plien, hoe luttel is after ten stertwaert sien: dats na tende.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut