Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staar - (oogziekte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

staar zn. ‘oogziekte’
Vnnl. sterre, starre ‘grauwe staar’, met de aantekening ‘Duits, Rijnlands’ [1599; Kil.], star in Dit gebreck noemen de Geneesmeesters ... in Duytsch de swarte Star ‘dit gebrek noemen de artsen in de volkstaal (hier: het Nederlands) de zwarte staar’ [1642; iWNT star V]; nnl. staar in Als de Staar zal geligt worden ‘als de staar (beschouwd als een vlies op het oog) verwijderd wordt’ [1777; Buys], Het geen in 't nederduitsch een vlies agter of in het Oog genoemt word, heeten de hoogduitsche Geneesmeesters ... de Staar [1778; Chomel].
Ontleend aan Duits Star ‘staar’ [16e eeuw; Kluge], een relatief jong zn. dat is gevormd bij het bn. starblind ‘staarblind’ < Oudhoogduits starablint, dat al vanaf de 8e eeuw in verscheidene Germaanse talen is geattesteerd; zo ook mnl. stareblint in Ghi sijt ... stareblent [1285; VMNW], maar het is niet aannemelijk dat de ziektenaam staar hieruit in het Nederlands zelf is gevormd.
Het eerste lid in deze samenstelling moet een woord zijn geweest dat ‘troebel, vervuild e.d.’ betekende en dat slechts is overgeleverd als mnl. staer ‘donker, troebel’ [1485; MNW] en in het Noors, zie onder.
Evenzo ontleend zijn: mnd. stār; nfri. staar; nzw. starr; alle ‘staar’.
Een met mnl. staer ‘donker, troebel’ < pgm. *stara- vergelijkbare betekenis is in de Germaanse talen alleen te vinden bij ablautend nno. stor ‘rotting’.
Misschien verwant met: Latijn stercus ‘fecaliën’; Grieks stergános ‘wijnazijn’; Litouws traškanos ‘etter in de ogen’; Oudkerkslavisch stĭrvŭ ‘kadaver’; Welsh trwnc ‘urine; bezinksel’; Armeens t'arax ‘etter’; < pie. *(s)ter- resp. met velaar-uitbreiding *(s)terḱ- en *(s)terǵ- (IEW 1031-32).
Kenmerkend voor staar is de vertroebeling of verduistering van het zicht: veelvoorkomende vormen zijn grauwe staar of cataract, die zich kenmerkt door een vertroebeling van de ooglens, en groene staar of glaucoom, die wel werd omschreven als “een verduistering van het Christallynen vocht” (d.w.z. glasvocht) (Buys 1777). Tot in de 19e eeuw treft men in de medische literatuur de opvatting aan, dat grauwe staar ontstaat door het doordringen van onrein vocht in het oog, dat daarin stolt en een vlies of schil vormt.
De 16e- en 17e-eeuwse, slechts sporadisch aangetroffen vormen met korte a en e zijn eveneens ontleend aan het Duits; in het Vroegnieuwhoogduits is er namelijk een contaminatie opgetreden van het van staar afgeleide werkwoord → staren met starren ‘stijf worden of zijn’, dat een geheel andere herkomst heeft, zie → star. Onder invloed hiervan verschenen er nevenvormen met korte klinker als starr, sterre en starrblind. Onder invloed van datzelfde bn. star ‘stijf’ (Duits starr) is de oorspr. betekenis van staarblind, namelijk ‘door staar (vertroebeling) in het zien belemmerd’ in een aantal talen en dialecten veranderd in ‘met open, starre ogen’, en/of ‘geheel blind’. Dit is echter een geheel ander benoemingsmotief, dat niet past voor staar, waarbij de ogen juist niet star en zonder elk gezichtsvermogen zijn.
Lit.: E. Buys (1777), Nieuw en Volkomen Woordenboek van Konsten en Wetenschappen, Amsterdam, deel 9, 666

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staar1* [oogziekte] {1778} < hoogduits Star, vgl. verouderd nederlands sterre, starre [idem] {1599} en middelnederlands te stare staen [starogen] (als stare hier een vr. zn. is), anders van star [strak, stijf, onbeweeglijk], vgl. middelnederlands staerblint [stekeblind]; behorend bij staren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staar znw. v., eerst sedert Kiliaen, is te vergelijken met mnd. star ‘staar, starheid in het oog’. Evenals nhd. star kan het nnl. staar geabstraheerd zijn uit de samenstelling mnl. staerblint, mnd. starblint, ohd. staraplint, ofri. starublind, oe. stærblind ‘met starende ogen blind’. — Zie verder: star en staren. De vorm met lange a kan ook uitgegaan zijn van uitdrukkingen als mnl. te stāre staen ‘het strak zijn van de ogen, zoals bij een dode. — Het ne. stark blind is een vervorming van de oe. vormen stareblind, stærblind.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staar znw., nog niet bij Kil. Of uit nhd. star m. “staar”, dat als uit starblind geabstraheerd wordt beschouwd, òf in ’t Ndl. gevormd bij de casus obliqui van mnl. *star “starheid van ’t oog”, alleen bekend in de uitdr. te stāre staen “strak, onbeweeglijk zijn” (van de oogen, bijv. bij een doode) = mnd. star o. “staar, starheid van ’t oog”, ’t Zelfde woord in de samenst. mnl. staerblint (d; nnl. staarblind), ohd. staraplint (nhd. starblind), mnd. stā̆rblint, ofri. starublind, stareblind, ags. stareblind, stær(e)blind “staarblind, geheel blind” (eng. vervormd tot stark blind). Hierbij het ww. staren, mnl. stāren, ohd. starên, mnd. stāren, ags. starian (eng. to stare), on. stara “staren”. Het bnw. star, Kil. sterre, starre (“vetus”), nhd. starr “strak” is blijkbaar bij Kil. starren, sterren, mhd., mnd. starren “star kijken, staren” gevormd, dat zelf ook wel eerst een secundaire vorm naast staren zal wezen. Met ablaut ohd. storrên “stijf zijn of worden”, got. and-staúrran “bedreigen, morren tegen”. De bet. maakt verwantschap met gr. stereós “stijf, hard” en hoogerop met de idg. basis st(h)â- (zie staan) wsch. Germ. *stara- zou ook = oi. sthirá- “vast, strak, hard” kunnen zijn; dit is met ’t idg. nominaalformans -ro- direct van de basis st(h)â-, st(h)ǝ- gevormd. Ook os. stôri, ofri., ags. stôr, on. stôrr “groot”, oier. sâr “iets van belang”, nier. sâr-, târ- versterkend prefix, obg. starŭ “oud”, lit. stóras “dik” hooren hierbij (voor de bet. vgl. ndl. stevig en oi. sthûrá- bij stuurs). Zie nog sterven, sterk, streng I, streng II, strijden, stroef, strompelen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

staar znw., is niet vóór het eind van de 18e eeuw opgetekend en dus wsch. aan het Hd. ontleend, resp. onder hd. invloed vervormd uit 17e-eeuws star, Kil. sterre, starre ‘staar’, dat zich bij het bnw. star aansluit.
Of oier. sâr, nier. sâr-, târ- terecht in dit verband worden genoemd, is twijfelachtig: zie WP. II, 607, 482.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

staar v., + Hgd. star: een moderne vorming uit *staarblind: z. sterblind.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

staar ‘oogziekte’ -> Duits Starraugen ‘oogziekte’; Deens stær ‘oogziekte’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stær ‘oogziekte’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds starr ‘oogziekte’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch star ‘oogziekte’; Sranantongo star ‘oogziekte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staar* oogziekte 1778 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal