Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staal - (monster)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

staal 2 zn. ‘proefmonster’
Mnl. stael ‘monster; mal, voorbeeld’ in men sel alle moreyde blawen op een stael ‘men moet al het donkere laken blauw verven naar dezelfde voorbeeldlap’ [ca. 1350; MNW], sijn goet dat hij vercopen wille off een stael daer aff ‘... of een monster daarvan’ [1403; MNW tone], vnnl. stael ‘voorbeeld, model’ [1572; Thes.], van wat stael ... de wetten ghemaect worden ‘naar welk voorbeeld ...’ [1581; WNT], ‘officieel model’ elf penningen fijn silvers ..., volgende de stalen ofte patroonen, die ... vande Generael-meesters vander Munte ... gelevert sullen worden [1606; WNT], ook het verkleinwoord in mandekens ... met een staaltjen van onze Goojse ooft [ca. 1640; WNT]; nnl. staal, staaltje ‘voorbeeld’ in een staaltje van Babelsche spraakverwerring [1731; WNT], Onlangs hoorde ik hier van een zeer merkwaardig staaltje [1735; WNT], ook in samenstellingen als staalboek ‘boek of map met monsters en voorbeelden’ [voor 1895; WNT].
Ontleend aan Oudfrans estal, estel ‘id.’ [eind 12e eeuw; TLF] (Nieuwfrans étalon ‘ijkmaat, standaardmaat, proefmaat’), dat zelf wrsch. is ontleend aan een Frankisch zn. *stalo, dat mogelijk ‘paal, lat, maatlat’ betekende en dan verwant is met → steel ‘handvat in de vorm van een stok’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staal2 [monster] {stael 1350} < oudfrans estel (frans étalon) [paal], waaruit zich de betekenis ‘(maat)lat’ ontwikkelde < frankisch stall.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

staal

Een staal is het patroon, het model, dat bij het maken van iets wordt nagevolgd. Het is hetzelfde woord als het Franse étalon dat: ijkmaat betekent. In het bijzonder was in de lakenindustrie van vroeger een staal: een lap laken van een bepaalde kleur, waarnaar de ververs het laken moesten verven. De beëdigde ambtenaar of gezworene, die belast was met het onderzoek of de kleur van het laken met die van het staal overeenstemde en die het waarmerk (staallood) aan het goedgekeurde laken hechtte, heette staalmeester. Colleges van staalmeesters zijn in de zeventiende eeuw herhaaldelijk geschilderd.

Van: patroon ging staal ook betekenen: monster. Het Latijnse monstrare is: tonen. Vandaar wordt het: voorbeeld, treffende bijzonderheid. Men zegt: ik kan u allerlei staaltjes geven van zijn moed.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staal 3 znw. o. ‘monster’, mnl. stael o., mnd. stāle, stal m. oostfri. stal, maar reeds ofrank. stalo ‘monster’ (blijkens mlat. 9de eeuw stalo, stallo), waaruit fra. étalon (Gamillscheg 389) ‘ijkmaat’. Dit woord zal wel als ‘maatlat’ op te vatten zijn en dan behoren bij staal 1 en steel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staal III (monster) znw., gew. o., mnl. stael o., Teuth. stale. = mnd. stāl(e) m. o. “staal, monster”. Gew. uit ofr. estale “maat, ijkmaat” (fr. étalon) verklaard: de bet. levert geen bezwaar op, immers “monster” kan op “maatje, stukje van zekere grootte of gewicht” teruggaan. Dit fr. woord is wsch. van germ. oorsprong (van staal I?); evenzoo ofr. estau “maat (van land, van leder)”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

staal 1 o. (monster), van ouder stalen = uitstallen, uit Ofr. estaler (thans étaler). denom. van estal, dat op Germ. stal teruggaat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

3staal s.nw.
1. Proef, monster. 2. Staaltjie.
Uit Ndl. staal (Mnl. stael in bet. 1, 1723 - ongeveer 1730 in bet. 2).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

staal ‘monster’ (Oudfrans estale)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Staal (monster), van ’t Germ. stal = kraampje, stalletje (vgl. ons „boekenstalletje”); hiervan ’t oude w.w. stalen = ten toon stellen, uitstallen, Ofr. estaler (thans étaler; étalage). Een staal is dus oorspr.: wat ten verkoop wordt uitgestald; later meer een monster (z. d. w.), een proefje, een voorbeeld; b.v. een staaltje van zijn moed.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

staal ‘monster’ -> Duits dialect Stahl ‘monster’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staal monster 1350 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut