Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staal - (metaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

staal 1 zn. ‘gehard ijzer’
Onl. stāl ‘gehard ijzer’ [1159-64; ONW]; mnl. stael [1240; Bern.], ook ‘stalen voorwerp’, zoals in datment cume met eneghen stale can uerwinnen ‘zo sterk is de huid dat men hem nauwelijks met een mes de baas kan’ [1287; VMNW], een stael, rayen ende sparken uutghevende ‘een vuurstaal, dat stralen en vonken afgeeft’ [1470; MNW].
Evenals bij ‘ijzer’ het geval is, is staal behalve de stof tevens voorwerpen gemaakt van die stof gaan aanduiden, in het bijzonder wapens en werktuigen. Dit geldt ook voor de andere Germaanse talen. De vroegste attestaties hiervan hebben betrekking op zwaarden en messen; latere op onder meer vuurslagen en medische werktuigen.
Ohd. stahal (nhd. Stahl); on. stál (nzw. stål); alle ‘staal; stalen voorwerp’; < pgm. *stahla-. Daarnaast met ander achtervoegsel pgm. *stahl-ija-, waaruit: os. stēhli ‘staal, bijl’ (mnd. stal); nfri. stiel (ofri. alleen de afleiding stēlen ‘stalen’); oe. stele, stȳle (ne. steel). Waarschijnlijk aan het Germaans ontleend is Oudpruisisch pannu-staclan ‘vuurstaal’.
Omdat dit materiaal pas in gebruik kwam lang nadat de Indo-Europese dochtertalen zich hadden afgesplitst, heeft de benoeming ervan zich ook pas in de afzonderlijke talen afgespeeld en zijn er geen direct verwante woorden buiten het Germaans. Men neemt aan dat het woord nauw verwant is met het bn.stag, dat als grondbetekenis heeft ‘dat wat stijf staat, strakgespannen is’. Een van stag afgeleid bijvoeglijk naamwoord pgm. *stahl(ij)a- ‘standvastig, sterk’ zou zijn gesubstantiveerd om de onderhavige metaalvorm aan te duiden.
Het benoemingsmotief was de stijfheid en hardheid van staal, die werd bereikt door harding van het ijzer. De stijfheid was van groot belang, omdat het moerasijzer dat in Noord-Europa lange tijd werd gebruikt voor een aantal doeleinden feitelijk te slap was. Zo raakte een daarvan gemaakt zwaard van een flinke slag dermate verbogen, dat het voor een doeltreffende volgende slag eerst moest worden rechtgebogen.
stalen 1 bn. ‘van staal’. Mnl. stalijn, stalen in Met sinen zwaerde stalijn ‘met zijn stalen zwaard’ [1300-50; MNW], enen muer ..., Die stalen ware ‘een muur die van staal was’ [1315-35; MNW]. Afgeleid van staal met het achtervoegsel voor stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden, zie → gulden 2. ♦ stalen 2 ww. ‘harden’. Mnl. in van der spille te stalen ‘door de spil (van een molen) te harden’ [1343-44; MNW], vnnl. ook overdrachtelijk Het uitstel staelt de pijn ‘het uitstel versterkt de pijn’ [1659; iWNT]. Afgeleid van staal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staal1* [metaal] {stael 1201-1250} oudsaksisch stehli, middelnederduits stal, oudhoogduits stahal, oudengels stiele, oudnoors stál; buiten het germ. avestisch staxta- [stevig], van een i.-e. stam waarvan ook stag1 is afgeleid. In ruimer verband verwant met staan; het woord geeft de hardheid aan.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staal 2 znw. o. ‘metaal’, mnl. stael o., mnd. stāl, ohd. stahal, stāl m. o. (nhd. stahl), ofri. stēlen ‘van staal’, on. stāl (maar dit zal wel aan een andere germ. taal ontleend zijn). Daarnaast os. stehli, oe. stīele (ne. steel) o. — Germ. *stahla- beantwoordt aan av. staxra ‘sterk, vast’ (IEW 1011). — Zie verder: stag.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staal II (metaal) znw. o., mnl. stael o. = ohd. stahal, stâl, mhd. stakel, stâl (stachel) m. o. (nhd. stahl m.), mnd. stâl m., (ofri. stêlen, bnw. “stalen”), on. stâl o. “staal”, germ. *staχla-. Hiervan os. stehli, ags. stîele (eng. steel) o. “id.”. Germ. *staχla- = opr. stakla- (in panu-staclan “vuurstaal”)? Dit is eer uit ’t Germ. ontleend. Misschien van een idg. basis staq- resp. steq-, stoq- “vast, stijf, stevig zijn”. waarvan ook stag, lit. stókas “paal”, av. staxra- “sterk, vast”, umbr. stakaz “statutus” (misschien ook lat. stagnum “stilstaand water”?); zie bij staan. Een andere hypothese verbindt met staal ier. tâl “bijl”; desnoods zijn beide etymologieën te combineeren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

staal 2 o. (metaal), Mnl. stael + Ohd. stahal (Mhd. stahel, Nhd. stahl), Ags. stíele (Eng. steel), On. stál (Zw. stål, De. staal) + Opr. stakla = staal. Av. staxra = sterk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1staal s.nw.
1. Sterk en taai metaal uit yster en koolstof gesmee. 2. Voorwerp of 'n gedeelte daarvan wat van harde staal (1staal 1) gemaak is. 3. Krag, energie. 4. Ysterhoudende versterk- of geneesmiddel. 5. Harde yster.
Uit Ndl. staal (Mnl. stael in bet. 1 en 2, 1621 in bet. 3, 1856 - 1859 in bet. 4, 1908 in bet. 5), of bet. 5 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Stahl (10de eeu), Eng. steel (ongeveer 725).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

staal ‘metaal’ -> Russisch stal' ‘metaal’; Oekraïens stal' ‘metaal’ ; Xhosa sitali ‘metaal’ ; Zuid-Sotho setala ‘metaal’ ; Indonesisch setal ‘metaal’; Javaans † kestal ‘stalen schrijfpen’; Negerhollands staal, stāl ‘metaal, ijzerlegering’; Papiaments stal (ouder: staal) ‘metaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staal* metaal 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2561. Een stalen wet,

d.w.z. een vaste regel; een wet, die niet verbroken kan worden. Vgl. Huygens, Zeestraet, vs. 672; Van Effen, Spect. III, 10; 169; Halma, 783: Eene staalen wet, een vaste regel, règle ou loi immuable, loi fondée, maxime inébranlable; Sewel, 957; Antw. Idiot. 1173; Friesch: in stielen wet.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut