Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

staak - (dunne paal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

staak zn. ‘dunne paal’
Onl. in de poldernaam Steckede ‘Steekt’ (Zuid-Holland) [1165; Künzel] (met umlaut); mnl. stake ‘staak’ [1240; Bern.], verder ‘steunbalk, stut’ [1287; VMNW], ‘stok, stang, vaak puntig, soms als wapen’ [1291-1300; VMNW], ook ‘in de grond staande boom of plant’ in Of hine soude binden landen Enen stake niet laten standen ‘of hij zou binnen die landen nog geen boom laten staan’ [1350-1400; MNW] en ‘familietak’ in teenen eersten stake ..., daer alle tgheslachte af descendeert ‘bij een eerste familiestam, waarvan het hele geslacht afstamt’ [1485; MNW]; vnnl. tevens ‘boomstronk’ [1530; MNW] en staeck ‘nakomelingschap’ [1588; Kil.].
Mnd. stake ‘dikke stok, staak’ (nhd. Stake(n) ‘staak, lat’); nfri. staak ‘staak’ en staach ‘familietak’; oe. staca ‘paal’ (me. stake ‘stok, grote tak’, ne. stake ‘staak’); on. staki ‘staak’ (nzw. stake); < pgm. *stakan-. De stam *stakan- is ontstaan uit het paradigma van een pgm. ablautende n-stam *stegō-/*stagō, genitief *stakkaz ‘stok, staak’. Als gevolg van eindmedeklinkerwisselingen in de wortel kende dit paradigma sterk uiteenlopende vormen. Door van dialect tot dialect uiteenlopende keuzen bij de analogische gelijkmaking van de medeklinkers zijn verschillende nieuwe paradigma's ontstaan, waarvan *stakan- ten grondslag ligt aan staak.
Verwant met: Grieks stókhos ‘bakstenen pilaar’; Litouws stãgaras ‘stengel’; Russisch stožár ‘steunpaal van een hooimijt, stok’; < pie. *stogh- (IEW 1014).
In de Germaanse talen komt een reeks van woorden voor die beginnen met st- en ‘staak, stok, balk e.d.’ betekenen, zoals Nederlands staak, → stok 1, → staaf, → staf en → stek. Deze woorden worden met verschillende wortels in verband gebracht. Wat staak betreft zijn in dit verband onder andere genoemd de wortels pie. *steig- ‘steken, scherp zijn’, zie → steken, en pie. *steh2k-, zie → stag. Hoewel deze naar betekenis goed bij staak zouden passen, maken formele overwegingen een herkomst daaruit onwaarschijnlijk.
Het Frans kent enkele woorden die in verband worden gebracht met Oudnederlandse vormen van staak. Attacher ‘bevestigen’ is met vervanging van het voorvoegsel ontwikkeld uit Oudfrans estachier ‘vastbinden, -maken’, waarvan meestal wordt aangenomen dat het een afleiding is van estache ‘staak’ uit Frankisch *stakka ‘staak’, waarvoor zie → attaché. Het woord étai ‘steunbalk’ zet het Oudfranse estaie ‘houten latwerk om een bouwwerk voorlopig te stutten’ voort, dat is ontwikkeld uit Frankisch *staka ‘steunbalk’.
Lit.: Krahe/Meid III, 149; Kroonen 2009

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

staak* [paal] {stake 1201-1250} middelnederduits stake, oudengels staca, oudnoors -staki (ablautend) hoogduits Staken; behoort tot een grote groep woorden met anlautend st, die begrippen als ‘scherp, puntig’ verklanken, vgl. stok, steken, steel, stam, stoten, stang, waaraan vaak historisch gezien geen onmiddellijke verwantschap ten grondslag ligt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

staak znw. m., mnl. stāke m. v., mnd. stāke (> nhd. staken), oe. staca (ne. stake), on. -staki (in lysistaki ‘kandelaar'), vgl. got. hleiþra-stakeins ‘loofhuttenfeest’, eig. ‘het uitzetten van de tenten’). Daarnaast germ. *stekan in ohd. stehho m. ‘paal, knuppel’, on. stjaki m. ‘staak’. — lit. stãgaras ‘stengel’, russ. dial. stožár ‘stang’ (IEW 1014) van de idg. wt. *steg ‘stang, paal, balk’.

Er is geen rechtstreeks verband met stek en steken, daar deze op een wt. *steig teruggaan. Opmerkelijk groot is het aantal woorden, die met st beginnen en de bet. van ‘stok, paal, balk enz.’ hebben, ook werkwoorden voor ‘stutten, stoten’. J. H. van Lessen Ts 66, 1949, 119-134 spreekt hier van onomatopee, maar ofschoon voor het latere taalgevoel de klankverbinding st de indruk maakt van iets dat krachtig is, zo is er geen sprake van dat men van klankwoorden moet uitgaan. Eerder moet men hier denken aan een grote groep van woorden, die uit het bos- en het daaraan aansluitend bouwbedrijf uitgaan en die berusten op een thematische wortel *st(h)e, waarvan wij de verhouding tot *sthā (zie: staan) in het midden kunnen laten, al is het zeer waarschijnlijk dat hier op zijn minst associaties bestaan. Zuiver formeel kunnen wij dus een groep van woorden opstellen, die op een of andere manier dit element *st(h)e bevatten en daarvan afgeleid zullen zijn. Wij kunnen dan de volgende gevallen onderscheiden, waarbij wij ook vermelden die woorden die het vocalisme ei en eu hebben.
labiaal p: stappen, stampen,
stomp, stoppen, stip,
stoop, stuip
bb: stobbe
f: staf
stijf
dentaal t: stoet, stuit, stoten,
stuiten
d: stal?
gutturaal k: staak
stek, steken,
stok, stuiken
g: stag, stang
met l : steel en de daar genoemde afl.
met r : star en de daar genoemde afl.
met m : stam.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

staak znw., mnl. stāke m. v. = mnd. stāke (> nhd. staken), ags. staca (eng. stake), ozw. staki m. “staak”. Vgl. ofri., oostfri. stak “stijf, recht” en zie staken. Met germ. e hierbij on. stjaki m. (*stekan-) “staak”, ohd. stëhho m. “paal, knuppel”. Zie nog stek. Buiten ’t Germ. vgl. slov. stožje, stežje “stang, staak”, lett. stêga, stêgs “id. stok, spies”, lit. sta͂garas, stegerỹs “dorre stengel”, met t-anlaut lat. tignum “boomstam, balk”, arm. tʿakn “knuppel”. In hoeverre deze woorden van een basis (s)teg- “steken, puntig zijn” (zie steken) komen, in hoeverre van (s)teg- “vast, stevig zijn, steunen” (hoogerop misschien met st(h)â- verwant; zie staan), is niet uit te maken. De balt.-slav. vormen met g (ž) kunnen ook idg. gh hebben en met stang verwant zijn. Met ’t oog op de ruime bet.-sfeer van steken en ags. stician (“prikken” en “vastzitten”) moet de mogelijkheid erkend worden, dat de beide idg. bases steg- in den grond identisch zijn, evenzoo de twee bij stang besproken bases.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

staak m., Mnl. stake + Ndd. id. (Hgd. staken), Ags. stace (Eng. stake), Ofri. stake: van denz. stam als ’t enk. imp. van steken. Uit het Ndl. komt Fr. estache met zijn afleid. estacade.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

staak (de, staken), i.h.b.:) laag boompje met een dun, recht stammetje, i.h.b. in het bos. De Bosneger* viel van de barbakot* in een half afgekapte staak en was dood (mond.). - Etym.: In AN in diverse, verwante bet.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Staak, van steken, dus het hout, dat men in den grond steekt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

staak ‘paal’ -> Duits Stake(n) ‘paal’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans étai ‘groot stuk hout of metaal als tijdelijke ondersteuning; steun(pilaar)’ Frankisch; Frans taquet (ouder: taque) ‘wig, klamp’ Frankisch; Baskisch taket ‘wig; paal’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

staak* paal 1165 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

877. Heg (of weg) noch steg weten,

d.w.z. in het geheel den weg niet weten, ergens geheel onbekend zijn. In het oostfri. hê kend gên weg of steg. Onder een steg verstaat men in het oostfri.: een plank over een sloot (Ten Doornk. Koolm. III, 305 b); in West-Friesland een smal bruggetje, vlonder (De Vries, 98); in Drente is een steg een pad, een weg (Archief I, 350); vgl. het mnl. stech, nhd. steg, mnd. stech, voetpad of plank over eene sloot. De uitdrukking komt voor in Van Homulus een Schoene Comedie (VI. Bibliophilen, 2e Serie no. 6), bl. 40:

Ick moet reysene en verre oncondige wech
Nu desen nacht, en weet niet wech noch stech.

Vgl. verder Landl. 88: Weg noch steg weten; Ppl. 159: Hij weet hier heg noch steg; Gunnink, 239: Geen weg of stek weten; Nkr. IV, 28 Aug. p. 5: Zij vonden in 't lastige doolhof van streken geen weg of steg. Zie Antw. Idiot. 172: van pad of baan weten, pad noch baan vinden; en bl. 519: haak noch staak weten. Vgl. ook over heg en steg, mnl. over stock ende (over) steen, door dik en dun; in Limb. over hok en blok; huik en struik ('t Daghet VIII, 65); bij Rutten, 220: over hok en stok loopen (vgl. eng. over stock and block); Joos 54: over beek en gracht, over heg en haag; deur hei en schavei loopen (Waasch Idiot. 571).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut