Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spuwen - ((speeksel e.d.) uit de mond stoten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spuwen ww. ‘(speeksel e.d.) uit de mond stoten’
Mnl. spuwen, spuen ‘braken, uitspuwen’ [1240; VMNW], ook spien ‘braken’ [1253; VMNW], spuden ‘spuwden’ [1285; VMNW], Doe spogen si op hem ‘toen spuugden ze op hem’ [1409; MNW-P]; vnnl. Die 't venijn nu spouwen ‘die nu gif spuwen’ [1528; iWNT], Een draeck, die water spuwt [1600; iWNT].
Spuwen is de klankwettige ontwikkeling uit onl. *spīwan, zoals → huwen uit *hīwan. Daarnaast bestonden gewestelijke varianten spouwen en met oorspr. klinker nog mnl. spiën.
Os. spīwan (mnd. spigen); ohd. spīwan (nhd. speien); ofri. spīa (nfri. spije); oe. spīwan (ne. spew); on. spýja (nzw. spy ‘braken’); got. speiwan; alle ‘spuwen’, < pgm. *spīwan-. Zie ook → spui en → spuiten.
Verwant met: Latijn spuere ‘spuwen’; Grieks ptū́ein ‘spuwen’; Sanskrit ṣṭhīvati ‘spuwt uit’; Litouws spiáuti ‘spuwen’; Oudkerkslavisch plĭvati ‘spuwen’; Welsh poer(i), poeryn (zn.); Armeens tcowkc (zn.), tckcanem (ww.); Albanees pshtyj; alle ‘spuwen’ of ‘speeksel’, < pie. *spti(e)uH- ‘spuwen’ (LIV 583), met vereenvoudiging van de anlaut in de afzonderlijke talen. Wrsch. een klanknabootsende wortel.
Mnl. spiën had nog een sterke verleden tijd speech (ev.), speghen (mv.) (Van Loey, par. 56), waarin de velaar niet klankwettig is, maar is ontstaan naar analogie van de sterke werkwoorden op mnl. -iën < *-īhan (mnl. tiën ‘beschuldigen, aantijgen’, riën ‘rijgen’, vliën ‘ordenen, vlijen’). De variant spuwen kreeg in de verleden tijd de klinker van de sterke werkwoorden uit de tweede klasse, dus mnl. spooch, spoghen. Hierbij ontstond in het Vroegnieuwnederlands, opnieuw door analogiewerking, een nieuwe infinitief spuigen, waarvan de stamklinker ten slotte in de standaardtaal is aangepast aan die in spuwen. Tegenwoordig wordt de variant spuwen altijd, en de variant spugen meestal zwak vervoegd.
spugen ww. ‘(speeksel e.d.) uit de mond stoten’. Vnnl. spugen, spuygen ‘(speeksel e.d.) uitwerpen’ in Spughende quylende, als huten sinnen misrocht ‘spugend, kwijlend, als buiten zinnen geraakt’ [1561; iWNT misraken II], spuygende ... bloedt ‘bloed spugende’ [1604; Van Mander], ook wel spoegen [1663; iWNT], Hy spuigt vyer teghen syne vyanden ‘hij spuwt vuur tegen zijn vijanden’ [1688; WNT]. Voor het ontstaan van de variant spugen naast spuwen, zie boven. Aanvankelijk waren beide woorden synoniem, maar in het Nieuwnederlands ontstond uiteindelijk een licht verschil in gebruik, waarbij spugen in de spreektaal het gewone woord is geworden voor ‘speeksel of braaksel uit de mond stoten’, en spuwen meer in overdrachtelijke betekenissen voorkomt, zoals bloed spuwen, vuur spuwen, water spuwen (van fonteinen e.d.), zijn gal spuwen (uiting van woede). ♦ spuug zn. ‘speeksel’. Mnl. eerst spu ‘speeksel’ [1285; VMNW] en spuwe ‘id.’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. ook spog [1662; iWNT spog]; nnl. dan spuug ‘speeksel’ [1864; Calisch], daarnaast ook spoeg ‘speeksel’ [1896; iWNT]. Afleiding van spuwen en spugen.
Lit.: K. van Mander (1604), Het schilder-boeck, Haarlem, 282v

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spouwen2* [spugen] {1480} nevenvorm van spuwen.

spugen* [door de mond uitwerpen] {spuigen 1657, spoegen 1672, spugen 1873} ontstaan uit spuwen met g o.i.v. spoog, gespogen, die waarschijnlijk bij spien zijn gevormd naar analogie van tien, (= tijgen), toog, getogen.

spuwen* [door de mond uitwerpen] {spu(w)en 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels spiwan, oudfries spia, oudnoors spýja, gotisch speiwan; in het nl. is de i o.i.v. de w overgegaan in u; buiten het germ. latijn spuere, grieks ptuein, armeens tkanem, litouws spiauti [spuwen], oudkerkslavisch pljĭvati [spuwen], oudindisch ṣṭhīvati [hij spuwt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spuwen ww. mnl. spīen, spijen, spuwen, spouwen, os. ohd. spīwan (nhd. speien), ofri. spīa, oe. spīwan (ne. spew), on. spȳja, got. speiwan. — lat. spuo, gr ptúo, lit. spiáuji, spiáuti, osl. pljują, pljĩvati (IEW 999).

De vormen met i stammen uit die, waar de w gesyncopeerd werd, terwijl overigens īw > ūw, ouw. — De vorm spugen is ontstaan onder invloed van het praet., vgl. mnl. spooch, spoghen naast speech, speghen, die zullen zijn opgekomen onder invloed van de vormen teech en tooch bij tien. — Wat de veelsoortige dialectvormen van dit affectieve woord betreft, merkt Heeroma Holl. Dial. Stud. 1935, 127 op dat het hele taalgebied behalve Noord-Brabant spiejen, spijjen had naast spoegen in Brabant; deze laatste vorm breidde zich tot het IJ uit. Daarna kwam een nieuwe golf uit het Zuiden, die spoewen > spouwen tot aan de Waal bracht, terwijl in Zuid-Holland door contaminatie daaruit spougen ontstond. Ten slotte verovert het utrechtse spoegen > spugen Zuid-Holland en zuidelijk Noord-Holland.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spuwen ww., dial. ook spouwen, spijen, mnl. spûwen, spouwen, spîen. Vgl. voor ’t vocalisme brouwen II, wouw. = ohd., os. spîwan (nhd. speien), ofri. spîa, ags. spîwan (eng. to spew), on. spŷja, got. speiwan “spuwen”. Het jongere spugen, nog niet bij Kil., is opgekomen onder invloed van de reeds mnl. vormen van ’t praeteritum en verl. deelw. spooch, spōghen, ghespōghen. Deze vormen zijn evenals speech, spēghen, ghespēghen misschien naar analogie van tien: teech, ghetēghen, tien: tooch, ghetēghen ontstaan: evenwel blijven ook bij deze verklaring moeilijkheden bestaan. Geenszins echter mogen we op grond van ndl. spugen en nhd. spucken “spugen” van een reeds oerwgerm. basis spū̆ʒ- uitgaan. Buiten het Germ. zijn lat. spuo, gr. ptúō, psýttō “ik spuug”, obg. pljują, pljĭvati, lit. spiáuju, spiáuti “spugen”, arm. tʿkʿanem “ik spuug”, tʿukʿ “speeksel”, oi. ṣṭhī̆vati “hij spuugt” verwant. De grondvorm der basis is niet zeker vast te stellen: misschien pstjū̆-, pstejewā̆x- of sptjū̆-, sptejewā̆x-. Zie nog spuien, spuiten, speeksel.

[Aanvullingen en Verbeteringen] spuwen. De basis bevatte wsch. geen t: oi. ṣṭhîv- < ṣp(h)îv- (vgl. Visperterminen špewwu = štewwu “ik spuw”, špûw = štûw “speeksel”); de arm. vormen dan niet hierbij, maar evenals osset. tʿu, nperz. tuf “speeksel” onomatop.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spuwen. Het is niet nodig, op grond van oi. ṣṭhī́vati ‘hij spuwt’ een idg. grondvorm met t aan te nemen, daar ṣṭhîv- gevoeglijk als dissimilatie uit ṣp(h)îv- kan worden opgevat met W.Schulze KZ. 45, 95 (reeds bij v.Wijk Aanv. verwerkt). Overigens is een exacte reconstructie van de idg. grondvorm niet geraden, daar het woord blijkbaar vanouds aan onomatopoëtische vervormingen is onderhevig geweest; zo kan wisseling van labiaal en dentaal (de arm. vormen!) al oud zijn. Vgl. nog Güntert Reimw. 61; Persson Beitr. 270.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spuwen o.w., Mnl. id., Os. spîwan + Ohd. id. (Mhd. spîen, Nhd. speien), Ags. spíwan en spéowian (Eng. to spew) Ofri. spía, On. spýja (Zw. spy, De. spy), Go. speiwan + Skr. wrt. ṣṭhiv. Gr. ptúein, Lat. spuere, Osl. pljĭvati. Lit. spjauti. De regelmatige Ndl. vorm ware *spijwen, te vervoegen als grijpen; in de plaats gelden spijen, spuwen, spuien en spugen: Idg. en Germ. wrt. spīw (Zw. spu), waarnevens ook Germ. wrt. spīk, wrt. spūk en wrt. spūt (z. speeksel en spuiten).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

speie (ww.) spuwen, braken; Vreugmiddelnederlands spuwen <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2spoeg ww. Ook spu.
1. Spoeg (1spoeg 1) uitwerp. 2. Iets vloeibaars uitskiet of uitstoot. 3. Iets anders, soos bloed, uit die mond stoot.
Uit Ndl. spoegen, met spugen as wisselvorm (1579 in bet. 1, 1638 in bet. 2, 1877 - 1892 in bet. 3). Ndl. spugen ontwikkel uit Ndl. spuwen (Mnl. spuwen, spien) 'spoeg' met die -g- onder die invloed van Ndl. spoog (1898) 'hoeveelheid vloeistof wat op een slag uit die mond gespoeg of daarin gehou kan word' en Ndl. gespogen. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm spuug.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

spugen (spuugde, heeft gespuugd), (ook:) zaad lozen, ejaculeren. Martinus, jij spuugt te gauw (meisje tegen minnaar; mond.). - Etym.: Vgl. E ’to spit’ = spuwen; ’to spit spawn’ = kuit schieten.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

spoeg: s.nw. en ww., – spoe/spu/spuug naas s.nw. spuwing – , speeksel; speeksel uit mond stoot; Ndl. spuwen (Mnl. spuwen/spouwen/spien/spijen/spugen naas s.nw. (o.a. dial.) spuug/spoeg/spog, vorme met g uit impf., bv. speech/spooch, v. dVri J NEW s.v. spog en spuwen), Hd. speien, Eng. spew en spit, hou verb. m. Ndl. spuien, spuiten en speeksel, m. Lat. spuere, Gr. ptuein en psuttein; oor uu, ui en oe v. soetjies.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spuwen ‘door de mond uitwerpen’ -> Saramakkaans pío ‘door de mond uitwerpen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spugen* door de mond uitwerpen 1657 [WNT]

spuwen* door de mond uitwerpen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2144. In iets niet spugen (of spuwen),

vooral in de zegsw. hij spuwt er niet in, d.i. hij veracht het niet, lust het graag; bij Harrebomée II, 117 b: Hij spuwt ook niet in het lieve nat, gezegd van een likkebroer. Zie Boefje, 52: En in een slokkie, daar spoog ie ook niet in, van 'n ander z'n cente; bl. 125: As 't nou mòt, ziet u; ik spoeg 'r ook niet in.... hè?; Jong. 105: Nou, Trui, die spuugt ook niet in d'r gloassie; Jong. 71: Een glaasje ouwe klare is me wèl zoo lief. - Jawel, jawel! daar spuug ik ook niet in, maar alles op z'n tijd; S. en S. 9: As 't allemaal klare jenever was. Ik spuug d'r ook niet in, mot je wete; fri. hy spuit net yn 'e jenever. In de 17de eeuw komt de zegswijze hij quijlter altijdt niet in (van een drinkebroer) voor bij Coster, 335, vs. 944; 521, vs. 717, In Zuid-Nederland (Brab.): op iets niet speeken of er niet naar spuwen (Land v. Aalst) of naar iets niet spougen of spuchelen, er grooten lust toe hebben (Waasch Idiot. 619 a; 829 a); in den dreupel nie spauwen, gaarne een borreltje drinken (Teirl. 366); fr. ne pas cracher sur qqch.

2382. Iemand op zijn vestje spuwen,

d.w.z. iemand zijne verkeerdheid op eene ruwe wijze onder het oog brengen (Harreb. II, 375 b); zie Onze Volkstaal II, 112: iemes op z'n vestje spijge, vitten op iemand, iemand de waarheid zeggen; iemes op z'n vest(j)e komme, iemand afranselen (Neder-Betuwe); V.d. Water, 145: iemand op zen vestje spouwe, iemand er geducht van langs geven; fri.: immen op syn fest(j)e spuije, harde waarheden zeggen, hatelijkheden toevoegen; Welters, 108; Molema, 574 a: op zien vestje kriegen, een pak slaag krijgen. Vgl. Amstelv. 11: Hij kwam in een stad, waar sommigen het land hadden aan den wethouder. ‘Is er een, die met het geld smijt’ kwamen ze bij Kokadorus, ‘geef 'm dus wat op z'n vesje’; zie verder no. 978; 1475; Sewel, 678: op zyn rokje krygen; Harreb. II, 375 b: dat is op je vestje gekwat, dat is eene beleediging voor je; I, 357 a: op zijn japon krijgen; II, 181 b: op zijne pij krijgen; op of voor zijn broek krijgen; Harreb. II, 322 a: op zijn tabberd krijgen; iemand wat op zijn half hempie geven; iemand op 't jak zitten (in Nkr. IV, 26 Juni p. 3); iemand (af)ranselen(?) en iemand op zijn' ransel komen (Harreb. II, 209 bZie De Jager, Frequ. I, 488 en Franck-v. Wijk, 534, die ook de mogelijkheid aannemen, dat ranselen een frequentatief is van ransen, ranzen, kwellen, plagen, stoeien, worstelen.); iem. over zijn kamizool kappen of trekken (zuidndl.); nd. einem wat up 'n Ranssel geben (Eckart, 423In de uitdrukking lik me vesje zal het laatste wel als vestje moeten worden opgevat en niet als dim. van het fr. fesse. Vgl. no. 202, noot en no. 1413.); zuidndl. op zijn kleed (of zijn broek) krijgen of hebben (De Cock1, 145; 152); hd. jem. auf den Kopf (oder Zopf) spucken, uitschelden.

2491. Vuur en vlam spuwen,

d.i. woedend, in hooge mate vertoornd zijn; in heftige bewoordingen aan zijn toorn lucht geven; eig. gezegd van een serpent, een draak, die als hij boos werd, vuur en vlam spoogVgl. o.a. Sp. Hist. I8, 7, 28; Walewein, 412 vlgg.; Ferguut, 3436 vlgg.; enz.. Vgl. Sacrament v.d. Nyeuwerv. 880:

 Hulp longeren, ic sal verwoeden willen;
 Van toorne spouwic vier ende vlamme.

Vondel, Triomftorts, vs. 7: De vloot haer' draecken spogen vlam en swavelvier, granaeten, lood en stael; Virg. II, 129; Salmoneus, vs. 1742: De paerden, trots van aert, die vier en vlam en gloet noch strax ten beck uitspoogen. - Palamedes, 77: Toen Kalchas op hen smaelde en uitspoogh vier en vlam; Klucht v.d. Pasquilmaecker, 11; Brederoo I, 46, 1071: Ick spouwe vuyr en vlam; Westerbaen III, 101: Spouwt tegen my vry vyer en vlam; Spaan, 142: Hier over meinde ik vuur en vlam te spouwen; De rasende liefde (1706), bl. 73: Vuur en vlam spoegende; Tuinman I, 291; Sewel, 927: Hy spoog vuur en vlam tegens u, he vomitted fire and flames against you; Harreb. II, 387 b; Nw. Amsterdammer, 23 Januari 1915, p. 11 k. 1: Zijn vrouw was gloeiend en de mijne spuwde vuur en vlam; Het Volk, 11 Aug. 1915, p. 1 k. 1; afrik. hy is vuur en vlam, woedend; hy spoeg (spuug) vuur en vlam; Waasch Idiot. 715: vlam en vier spougen, hevig gram zijn; Antw. Idiot. 2136: vier en vlam spouwen, hevig vergramd zijn; De Bo, 1361: vuur spuwen, van spijt, van gramschap; fri. fjûr en flam spuije; hd. Feuer und Flammen speien; fr. jeter, vomir feu et flamme; syn. (gift en) gal brakenNdl. Wdb. III, 1008..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut