Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spurrie - (plant uit de anjerfamilie (geslacht Spergula))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spurrie zn. ‘plant uit de anjerfamilie (geslacht Spergula)’
Mnl. sporie ‘spurrie’ in Men sal sporie wel stoten ende drinken met wine ‘men moet de spurrie goed vermalen en innemen met wijn’ [1351; MNW]; vnnl. spuerie, speurie in Dat derde wordt hier te lande Spuerie gheheeten ende daer naer worddet in Latijn Spergula ghenaempt; by den ouders en in die Apoteken eest onbekent ende daer om en hevet anders ghenen naem die ons bekent es [1554; Dodonaeus], speurrie, spurrie [1573; Thes.].
Herkomst onzeker. Meestal wordt aangenomen (FvW, Verc., WNT, NEW, Toll., OED, Kluge) dat het woord ontleend is aan vulgair Latijn *spergula ‘spurrie’, waarvan de verdere herkomst in het duister wordt gelaten. Kluge vermoedt verband met middeleeuws Latijn spargula [14e eeuw], de voorvorm van spergel ‘asperge’, zie → asperge; de groene delen van de spurrie en de asperge vertonen enige vormovereenkomst.
De onbekende herkomst van spergula, de complete afwezigheid van middeleeuwse attestaties en de onwaarschijnlijke klankovergang van spergula > mnl. sporie, vnnl. speurie maken deze etymologie ongeloofwaardig. Wrsch. is het omgekeerde het geval, zoals de plantkundige Dodonaeus reeds in 1554 aangaf (zie hierboven): Neolatijn spergula is gebaseerd op de Nederlandse benaming. Het betreft hier dus een Germaans woord:
Nnd. spark; nhd. Spark (< nnd.), Spörgel, Spergel [alle 18e eeuw; Kluge]; nfri. sparje; vne. spury, sperie [1577; OED] (ne. spurrey). Al deze woorden zijn jonger dan het Nederlandse woord. Het Engelse woord is dan ook ontleend aan het Nederlands, terwijl de Hoogduitse en wellicht ook de Nederduitse woorden wrsch. teruggaan op de Neolatijnse naam. Dat laatste geldt ook voor Frans spergule [1752; TLF].
Hiermee is het Nederlandse woord nog niet verklaard. Misschien is het woord afgeleid van → spoor 2 ‘puntig uitsteeksel’, omdat de smalle, kleine blaadjes, die stersgewijs om de stengel zijn gegroepeerd, doen denken aan veelpuntige spoorraadjes (Britten/Holland 1886). De uitgang -ie, die de umlaut van mnl. sporie > vnnl. speurie veroorzaakte, heeft hier mogelijk een collectieve betekenis, zie verder → derrie.
Lit.: J. Britten & R. Holland (1886) A dictionary of English plant-names, London, 449

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spurrie [plant] {sporie 1351, spurrie 1573} < middeleeuws latijn spergula, spargula, verwant met asperge.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spurrie znw. v., mnl. sporie (d.w.z. speurie), Kiliaen sporie, speurie, spurrie zal wel af te leiden zijn van de lat. naam spergula, mogelijk over een romaanse vorm. — > ne. spurrey, spurry (sedert 1577, vgl. Bense 456).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spurrie znw. Kil. sporie, speurie, spurrie, mnl. spōrie (ȫ). Wsch. een vervorming van de lat. benaming spergula of van een rom. vorm hiervan. Voor de u vgl. dan dial. burrie = berrie.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spurrie v., gelijk Hgd. spergel, uit Mlat. spergulam (-a), van onb. oorspr.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

spurrie: – sporrie – , pln. (Spergula arvensis, fam. Caryophyllaceae); Ndl. spurrie (Mnl. sporie, by vRieb sparry en sporrysaet, v. Kloe HGA 116, Noot 171 en 307), Eng. spurr(e)y, uit Fr. spergule uit Lat. spergula, nie te verwar nie m. Ndl. spurg(i)e, Eng. spurge (spp. Euphorbia, fam. Euphorbiaceae) uit Ofr. espurge (Fr. épurge), v. ook Scho PD 40.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

spurrie
Gewone spurrie | Spergula arvensis L.

Een oude Latijnse naam voor de plant is Spargula, vermeld in het boek De Vegetalibus van Albert de Grote (ca.1200-1280). Bij de Vlaamse plantkundige Matthias de Lobel (1538-1616) in zijn in 1576 verschenen Stirpium historia was de naam Saginae Spergula en dit tweede deel is de wetenschappelijke geslachtsnaam geworden. En in het kruidenboek uit 1618 van Rembert Dodoens heet de plant Spuerie. Er bestaat een vermoeden dat de Latijnse naam Spergula afgeleid is van het Latijnse woord aspergullum voor wijwaterkwast, omdat de draadvormige bladeren in kransen staan waarmee zo de indruk wordt gegeven dat ermee gesprenkeld zou kunnen worden. De Nederlandse naam Spurrie is dan een omvorming van ofwel de Latijnse geslachtsnaam Spergula ofwel van de naam Spergel, de Duitse naam voor deze plant.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Spurrie (gewone), Spergula arvensis
Spergula: wordt in verband gebracht met het Latijnse ‘spargere’ of ‘verspreiden’.
Arvensis: de plant groeit meestal op akkers of groeide vroeger vaak op akkers.
Gewone spurrie: waarschijnlijk is de naam spurrie afkomstig van de wetenschappelijke geslachtsnaam. Gewoon, in de Nederlandse naam, omdat de plant vaker voorkomt dan andere Spurrie soorten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spurrie ‘plant’ -> Engels spurrey, spurry, sporrie (Z. Afr.) ‘plant’; Duits dialect Spörrie, Spurrie, Späörrie, Späörrje, Spirrie ‘plant’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut