Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spul - (goedje; bezitting, waar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spul zn. ‘goedje; bezitting, waar’
Mnl. eerst variant van spel in verschillende betekenissen als dat spul ‘de speling, de grillen’ [1350-1400; MNW-R], sijn spul ‘zijn zaak, zijn strijd’ [begin 15e eeuw; MNW], Tis al spul ‘het is allemaal onbelangrijk’ [ca. 1440; MNW], spul ‘wedstrijd’ [1460; MNW]; vnnl. dan ‘moeilijkheden’ in Een Boer maeckt meer spuls as tien steeluy op me kaer ‘Een boer maakt meer moeilijkheden dan tien stedelingen bij elkaar’ [1612; iWNT], 't Jong spul ‘het jonge volk’ [1610-19; iWNT], in de Spullen ‘in de kermistenten’ [1698; iWNT]; nnl. ten slotte spullen ‘bezittingen’ [1861; Harrebomée], goed spul ‘goede waar’ [1877; Multatuli].
Oorspr. dialectische (Noord-Nederlandse) bijvorm van → spel.
Lit.: Multatuli (1877), Ideën V, Amsterdam, 5

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spul* [bezitting] {1781} dial. (hollandse) nevenvorm van spel (vgl. spelen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spul znw. o., dial. bijvorm van spel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spul znw. o. Bijvorm, oorspr. dial., van spel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spul o., dial. bijvorm van spel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

spul (de), (ook, gemeenz.:) meisje, liefje. Alleen in zinnen als: Je moet niet aan m’n spul komen. - Etym.: In AN niet alg. in ’jong spul’ = jonge mensen, kinderen; verder zelden m.b.t. personen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

spul: doeb. v. spel (v. speul), gebeurtenis (ongunstig); rommel; versameling (diere, dinge, ens.); klomp mense (ongunstig); so ged. ook Ndl. spulspel (v. Scho TWK/NR 7, 2, p. 28 met vb. uit Trig).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spul* bezitting 1781 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal