Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spruiten - (loten vormen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

spruiten ww. ‘loten vormen’
Mnl. dar vp spruten metter vart. Drie scoten ‘daaraan ontspruiten snel drie scheuten’ [1285; VMNW], Die derde tranen spruyten van dat verdriet ‘de derde soort tranen komen voort uit het verdriet’ [1437; MNW-P]; vnnl. De bloemkins spruyten verre en naer ‘de bloempjes ontluiken ver en dichtbij’ [ca. 1530; iWNT wederpaar].
Os. sprūtan (mnd. spruten); ohd. spriuzzan, mhd. spriezzen (nhd. sprießen); ofri. sprūta (nfri. sprute); me. spruten (ne. sprout), oe. spreotan; alle ‘loten vormen’, < pgm. *sprūtan-, *spreutan-. Voor deze klinkervariatie zie → ruiken.
Hierbij ook de zn. *sprutan-, *sprutōn- ‘spruit, loot, kiem e.d.’, waaruit: mnl. sprute (zie onder); mnd. sprute, sprote; ohd. sprozzo ‘spruit; sport van een ladder’ (nhd. Sprosse ‘sport van een ladder’, Oostenrijks-Duits ‘spruitje’); oe. sprota ‘kiem, spruit’; on. sproti ‘twijg’. Zie ook → sport 1 ‘trede van een ladder’ en → sproet.
Misschien verwant met: Litouws spráusti ‘inklemmen’, sprū́sti ‘uit een klem komen door het uitoefenen van druk’; Welsh ffrwst ‘haast’; bij de wortel pie. *spreud- ‘spuiten, snel tevoorschijn komen, ontspruiten’ (IEW 994-95).
spruit ‘soort groente; loot; nakomeling’. Mnl. sprute ‘knop, loot’, misschien ‘jonkie’, als toenaam in Wouter sprute [1295; VMNW], wilde spruiten ‘wilde uitlopers’ [1340-60; MNW-P]; vnnl. spruyt ‘kiem, loot, spruit’ [1573; Thes.], een jonghe Spruyt ‘een jonge afstammeling’ [1658; iWNT]; nnl. Spruitjes of krul-kool ‘bepaalde soort groente’ [1746; iWNT]. Afleiding van de wortel van spruiten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spruiten* [loten vormen] {spruten 1285} oudengels sprutan (engels sprout), hoogduits sprießen, naast ablautend oudengels spryttan, hoogduits spritzen, gotisch sprauto [vlug], op enige afstand verwant met sproeien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spruiten ww., mnl. sprūten, os. sprūtan, ofri. sprūta, ne. sprout, ‘spruiten, uitspruiten’, nnoorw. dial. sprūta ‘spui ten’; daarnaast mhd. spriezen (nhd. spriessen), dus ablaut *sprūtan: spreutan. Met korte klinker: mhd. sprützen (nhd. spritzen) ‘spuiten’, oe. spryttan ‘spruiten’ (ne. sprit). — Men vergelijkt kymr. ffrwst (< *sprud-to) ‘haast’, lit. spridusti ‘persen, klemmen’, lett. spraûst ‘in iets steken’ (IEW 994-995). — > ne. sprout, althans wat de vormen spruit, spruyt, sprute in de 16de eeuw betreft (Bense 455).

Uit te gaan van idg. *spreud een dentaal-afl. van *sp(h)ereu en deze weer van de onder spar 1 behandelde wt. *sp(h)er. De door IEW aangevoerde baltische woorden stemmen in bet. weinig met de germ. woordgroep overeen en zijn misschien wel beter buiten beschouwing te laten. — De bet. van spruiten wijst duidelijk op de herkomst uit het bedrijf in het loofhoutbos; wanneer een enkele maal die van ‘spuiten’ optreedt, zal dit secundaire ontwikkeling zijn, hetzij door kruising met dit laatste woord hetzij doordat daaruit met een emphatische r de vorm spruiten ontstaan is (zie J. de Vries Mélanges Mossé 1960, 173).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spruiten ww., mnl. sprûten = mhd. sprieʒen (nhd. spriessen), os. (ût-)sprûtan, ofri. sprûta, ags. *sprûtan (de praesensstam komt niet voor; eng. to sprout) “spruiten, uitspruiten”, noorw. dial. sprûta “spuiten”. Ablautende vormen bij sport I; verder mhd. sprützen (nhd. spritzen) “spuiten”, ags. spryttan “spruiten” (eng. to sprit), wsch. ook got. sprauto “vlug”. De bett. wijzen op verwantschap hoogerop met sprank. Germ. sprū̆t-, idg. sp(h)rū̆d- is dan als een verlenging van de basis sp(h)erē̆u-, sp(h)rū̆- (zie bij sproeien) te beschouwen. Eventueel kunnen ook kymr. ffrwst “haast” (*sp(h)rud-ti-) en lit. spráusti “dringen” van sp(h)rū̆d- komen; zie ook spriet. Van een verlengd (s)p(h)rū̆d-s- misschien russ. prýsnuť, lett. prauslât “spuiten”. — Ook spruit o. (uitschietend touw) bij spruiten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spruiten. Russ. prýsnuť, lett. prauslât ‘spuiten’ beter in ander verband: zie bij proesten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spruiten ono.w., Mnl. spruten, Os. sprûtan + Mhd. sprieʒen(Nhd. sprieszen), Ags. sprûtan (Eng. to sprout), Ofri. sprûta: van een verlenging van den wortel van sproeien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

spruite (ww.) spuiten; < Rienlands spreuze.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

strieten, strietsen (B, W), ww.: spuiten, spatten. Resp. klankexpressieve en intensieve var. van sprieten 'spruiten', met anticipatie van de t.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2spruit ww.
1. Uitlopers vorm. 2. Afstam. 3. As 'n gevolg na vore kom.
Uit Ndl. spruiten (Mnl. spruten). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Eng. sprout (ongeveer 1200 in bet. 1).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

spritten (DB), ww.: spritsen, spatten, in fijne straaltjes door de tanden spuiten. Intensivum met consonantengeminatie naast sprieten/spruiten, D. Sprießen, E. sprit. Ndl. spritsen is ontleend aan D. spritzen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spruiten ‘loten vormen; (verouderd) voortspruiten, ontspruiten, spuiten’ -> Deens sprutte ‘spatten, proesten, briesen, sputteren’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors sprute ‘stralen, spuiten, spatten, spetteren, spuwen’; Papiaments spreit, sprùit (ouder: spruit) ‘loten vormen; ontstaan, voortkomen, uitlopers krijgen’; Sranantongo sproiti ‘loten vormen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spruiten* loten vormen 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal