Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sprong - (het springen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sprong zn. ‘het springen’
Onl. sprunk in min wine uerid al in sprungen ande an bergon ‘mijn geliefde gaat met sprongen naar de bergen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. sprunc [1240; Bern.], spronc in drie spronge iof meer ... doet hi ... eer hi mach vander aerden risen ‘hij maakt drie of meer sprongen voor hij kan opvliegen’ [1276-1300; VMNW].
Ablautende vorm (nultrap) bij de stam van het werkwoord → springen.
Mnd. sprunk; ohd. sprung (mhd. sprunc); alle ‘het opspringen, het ontspringen (> bron)’; < pgm. *sprunga-. Daarnaast staat pgm. *springa- ‘id.’, waaruit: mnl. sprinc (nnl. dial. spreng); mnd. sprink; mhd. sprinc (nhd. Spring); ofri. -spreng; ode. (= nde.) spring; oe. spring (ne. spring, dus samengevallen met spring < *sprunga-); een in de afzonderlijke talen veelvoorkomende betekenis van deze tweede reeks woorden is ‘(snel) omhoogkomende waterstroom’, vanwaar ‘(water)bron’, ‘beek’ en ‘snel opkomende zeestroom’ en in het Nederlands nog de samenstelling springvloed.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sprong* [het springen] {spronc 1201-1250} ablautend bij springen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sprong znw. m., mnl. spronc m., mnd. sprunk, ohd. sprung ‘sprong’, oe. spryng m. ‘bron, rivier, besprenkeling’. — Afl. (met ablaut) van springen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sprong znw., mnl. spronc (gh) m. = ohd. (nhd.) sprung, mnd. sprunk m. “sprong” (en verwante bett.). Ablautend met springen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sprong. Het Ags. kent spryng m. ‘bron, rivier, besprenkeling’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sprong m., Mnl. spronc + Hgd. sprung: van denz. stam als ’t meerv. imp. van springen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sprunk (zn.) sprong; Aajdnederlands sprunk <1100>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sprong (grote -- voorwaarts) (vert. van Mandarijn da yuejin)
Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

grote sprong voorwaarts [uitdrukking] (1958). De Chinese communistische leider Mao Zedong (1893-1976) lanceert in mei 1958 de campagne de Grote sprong voorwaarts, waarvan de naam spreekwoordelijk is geworden. Het plan is om van China een supermacht te maken, door verregaande economische hervormingen. Alhoewel het in eerste instantie een succes lijkt, loopt de campagne uit op een grote mislukking. Een andere uitdrukking die van Mao Zedong afkomstig is, is de lange mars die hij in 1934 en 1935 ondernam toen hij vanuit zijn basisgebied in Oost-China naar het noordwesten trok (pas in 1949 ging China over tot het communisme).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sprong* het springen 1100 [Willeram]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

grote sprong voorwaarts (naar de benaming voor de politiek van gedwongen industrialisatie in China, ten tijde van Mao), belangrijke stap vooruit naar een bepaald doel’.

De emancipatie heeft, na de moeder die er met haar twaalf kinderen alleen voorstond, haar Grote Sprong Voorwaarts wél gedaan, het valt niet te ontkennen. (Gerrit Komrij: Met het bloed dat drukinkt heet, 1991)
Maar dan was er weer iemand van ons op Binnenlandse Zaken geweest, en dan hing daar toch weer een landkaart waarop heel Nederland in regio’s was opgedeeld. Dat kon een ambtelijke oprisping zijn, misschien werd het niet politiek gedekt, maar misschien hadden ze ook wel een verborgen agenda. Dus toen Van der Heyden en Koetje met hun grote sprong voorwaarts kwamen, dacht iedereen: o, zo zit het dus in elkaar. (Vrij Nederland, 12/04/97)
De grote sprong voorwaarts die Amerika voor het Midden-Oosten in gedachten had, is voorlopig niet aan de orde. (HP/De Tijd, 22/08/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2143. Op (den) sprong staan (zijn),

d.w.z. juist gereed staan; eig. op het punt staan van te springen (vgl. op slag, eig. op het punt van te slaan; Boekenoogen, 928); op het hippen zijn (17de eeuw); westvl. op schote staan, eig. gereed staan om te schieten; daarna op het punt staan om iets te doen (De Bo, 1005); syn. van op de mik staan (Loquela, 319); fri. op 'e sprong stean; mnl. op den spronc sijn; Campen, 119: hy staet altoes op een spronck; bij Hooft, Brieven, 499: Mits dezelve my zeide, met UEd.Gestr. op eenen sprong naa de Beemster te staan; E. Wolff-Bekker, De beide Vriendinnen: Maar, van de vertelling dat ik reeds getrouwt ben, en dat myne vriendin alledaag op den sprong staat, is zelf de schaduw der schaduw een zot verdichtsel. Bij Schuermans, 664 b: op het springen staan of op sprong staan, op 't punt zijn van aan de deur gezet te worden; in het oostfri. dat steid up de sprung. In de 17de eeuw beteekende op een sprong, ter sprong, eensklaps, dadelijk, schielijk, fr. tout d'un saut; syn. op een bocht; vgl. Vondel, Lucifer, vs. 851; Pers, 215 a; Huygens I, 167; Tuinman I, 351. Ook in het hd. auf dem Sprunge stehen.

2169. Op stel en sprong,

d.w.z. dadelijk, onmiddellijk, plotseling. In de 17de eeuw bij Hooft, Brieven, 317: U.E., bevroed' ik wel, zal dit op geen' stel en sprong konnen beschikken; Schijnh. 105: Op een stel oft een sprong; Ned. Hist. 400: 't Welk op een' stel en sprong niet te beeteren zynde, men gedwongen was tot bequaamer tydt toe te laaten sloeren; Brederoo, Sp. Brab. 1296: Men komter so niet an lieve moer, op en stel en op en sprongh; Winschooten, 289: Het geschiedde op een stel en sprong: met een vaart. Ook in de 18de eeuw zeide men nog op een stel en (een) sprong (Van Effen, Spect. IX, 98; 203), waarnaast evenwel ook op stel en sprong voorkwam; zie Sewel, 754: Op stel en sprong, on a sudden; het geschiedde op een stel en sprong, it was done in an instant; Harreb. II, 293; M. de Br. 128; Sjof. 80; 92; Peet, 191; enz. De eig. beteekenis is wellicht: ‘in den tijd, dien men noodig heeft om zich te stellen en te springen’; vgl. verder het mnl. ten selven spronghe, onmiddellijk; het 17de eeuwsche op een sprong, in een ommezien, o.a. bij Vondel, Lucifer, vs. 851 en III, 673:

 Een dolle vaders bui kan, op een sprong, verbeuren,
 Het geen, daer, jaeren lang, zijn kinders omme treuren.

Vgl. ook op stel en sprong zitten, op het punt staan, o.a. in Het Volk, 24 Oct. 1914 p. 2 k. 2: Te Brugge zit de bevolking op stel en sprong om de stad te verlaten; het vroegere op een bot, op een lik, op een bof, eensslags, op slag, eenklaps (fr. tout à coup), plotseling; het fri.: op een stuit; westph. op en stipp (Woeste, 255 b). Volgens Van Dale3 bezigt men elders op schop (of op klap) en sprong; zie Draaijer, 39: op stipen-sprong; in het fri. op stel en sprong; op slach en stel; op hip en sprong; overijs. op (een) stop; Joos, 62: op nen pink en nen keer. Zie no. 2143.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut