Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sprokkel

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sprokkel znw. m., laat-mnl. sprockel, sporkel, mnd. sprockel ‘dun rijshout’, afl. van mnl. sproc, mnd. sprok ‘dun rijshout, takje’; verder Kiliaen sporck, sprock ‘bros’, vla. sporken ‘knetterend in het vuur doen barsten’. — Deze laatste bet. mag ons niet verleiden van een met spreken verwant klankwoord uit te gaan, want het is een typisch woord van het bosbedrijf en wijst dus op de groep van spar 1 terug. Daar het dunne rijshout in het vuur knettert kan het ook deze bet. aannemen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sprokkel znw., sedert ’t laat-Mnl. = mnd. sprockel o. “dun rijshout”. Afleiding van mnl. sproc (o.?), mnd. sprok o. “id., dun takje”. Ablautend met ags. spræc enz. (zie sprank). Hierbij nog Kil. sporck, sprock “bros” (nog dial. zeer verbreid), vla. sporken “knetterend in ’t vuur doen barsten”. Vooral dit laatste woord toont, dat er betrekkingen bestaan tot de klankaanduidende bij spreken besproken woordgroep. Wij moeten echter eer aan jongere associatie dan aan oerverwantschap denken. Deze is niet wsch. te maken, ofschoon een dgl. hypothese voor spaak is opgesteld. Sprokkel, sporke-boom, Kil. sporck, sporckel-hout is wsch. ’t zelfde woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sprokkel m. en v., dimin. van sprok, besproken bij sprik.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut