Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sprok - (bros)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sprok* [bros] {sporck, sprock 1599} van middelnederlands sproc [takje, rijsje], de verkleiningsvorm sprockel en het ww. sprockelen, waarnaast ook sprocken, ablautend bij oudengels spræc [twijg]; vgl. de vormen met n onder sprank.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sprok bijv., Mnl. sproc + Hgd. sprock; hierbij Zw. sprikka, De. sprœkke = breken, bersten + Lit. sprogti = splijten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sprok ‘(gewestelijk) bros’ -> Negerhollands sprok ‘bros, wat licht breekt’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut