Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sproet - (vlekje op de huid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sproet zn. ‘vlekje op de huid’
Mnl. sproete ‘vlekje op de huid, wrat e.d.’, geschreven als sprut, spruet, sprute [1240; Bern.], in es goet iegen sproeten ende iegen andere vlecken ‘is goed tegen sproeten en andere vlekken’ [1351; MNW-P]; vnnl. Waterkersse doet ... dat sproet vergaen ‘waterkers doet de sproeten verdwijnen’ [1554; iWNT waterkers].
De vorm sproeten (het enkelvoud is zeldzaam) is algemeen Middelnederlands en de spellingen met -u- en -ue- zijn kenmerkend voor het glossarium Bernense. Mnl. spruut is in deze betekenis niet geattesteerd. Van een “relict-oe” (NEW, Toll.), d.w.z. een gewestelijke variant van Proto-Germaans *-ū- (nnl. -ui-) waarin de historische uitspraak bewaard is gebleven, is dus wrsch. geen sprake.
Ohd. spruoz (bn.) ‘besproet’; de klinker wijst op pgm. *-ō-, maar is moeilijk te verklaren. Het woord lijkt verwant te zijn met mnd. sprote, sprotele, sprutele ‘vlekje op de huid’ en vnhd. sprusse ‘id.’ (nhd. alleen in de samenstelling Sommersprosse ‘zomersproet’) en het bn. ohd. spruzzi ‘besproet’, woorden met pgm. *sprut- die ablautend horen bij → spruiten. Daarnaast met lange klinker alleen os. sprūtodi ‘gesprenkeld’. Heidermanns (1993: 539) veronderstelt voor de klinker in sproet invloed van de klinker van sproeien, maar dat woord is veel jonger.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sproet* [huidvlekje] {sproet(e), sprot(e) 1201-1250} middelnederduits sprote, oudsaksisch sprutodi [gespikkeld], middelhoogduits sprützen [spatten]; verwant met spruiten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sproet znw. v., mnl. sproete ‘vlek, sproet’ met een relict- oe naast mnd. nn. sprûte (vgl. os. sprûtodi ‘gespikkeld'). Daarnaast met korte vocaal: laat-mnl. sprot, Kiliaen sprot (Sax. Sicamb.), mnd. sprōte, mhd. sommersprosse; ook gotlands sprut o. ‘rode huiduitslag’. — Zie: spruiten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sproet znw., mnl. sproete (v.?) “vlek, sproet”. = mnd. sprôte (of met ō? Vgl. nhd. sommer-sprosse) “id.”. Hiernaast. mnd., nnd. sprûte “id.”, os. sprûtodi “gespikkeld”, waarmee nhd. sommer-sprosse v. “zomersproet”, laat-mnl. sprot “nevus”, Kil. “sprot. Sax. Sicamb. j. sproet. Lentigo” in ablaut kan staan. Deze woorden, waarbij nog gotlandsch sprut o. “roode huiduitslag” hoort, zijn met mhd. sprützen “spatten” (bij spruiten) verwant. De vorm met ô, ndl. oe vertoont een dgl. afwijking als roest I. Door invloed van sproeien kan ’t afwijkende vocalisme bezwaarlijk zijn veroorzaakt.

[Aanvullingen en Verbeteringen] sproet. Maastr. sprōtǝl heeft ō < ŏ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

sproet. Wellicht is de oe als relict met oe < germ. û op te vatten; vgl. roest I Suppl. en kroes II Suppl. Mnd. sprote zal wel ō hebben, evenals het bij v.Wijk Aanv. vermelde Maastr. sprō ̇ tǝl (de afl. op -el(e), reeds mnl. mnd., is vooral in oostel. diall. de gewone vorm).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sproet v., Mnl. sproete + Mhd. spruʒ (Nhd. sprosse); hierbij Mndd. sprûte, Os. sprûtodi = gespikkeld, en verder spruiten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

sprotel (zn.) sproet; Vreugmiddelnederlands sproete <1240>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sproet: velvlekkie deur sonlig veroorsaak; Ndl. sproet (Mnl. sproete), Hd. sprosse (naas Lmnl. en by Kil sprot), hou verb. m. spruit.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sproet* huidvlekje 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut