Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

springen - (zich plotseling verplaatsen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

springen ww. ‘zich plotseling verplaatsen’
Onl. -springan ‘springen’ in ande her ouerspringet thie huvela ‘en hij springt over de heuvels’ [ca. 1100; Will.]; mnl. springhen in mig spranc an min kinne. uter disen blomen. ein pampilion scone ‘er vloog uit deze bloemen een mooie vlinder op mijn kin’ [1201-25; VMNW], Dat hare spronken uten ogen Die trane ‘dat de tranen uit haar ogen sprongen’ [1265-70; VMNW].
Os. springan (mnd. springen); ohd. springan (nhd. springen); ofri. springa (nfri. springe); oe. springan (ne. spring); on. springa (nzw. springa ‘hardlopen’); alle ‘op-, uiteen-, ontspringen e.d.’, < pgm. *springan-.
Verdere herkomst onzeker. Misschien ontwikkeld uit pie. *spr-en-ǵh- als nasaalpresens bij de wortel *sp(e)rǵh- ‘zich haasten’ (LIV 581), waaruit: Grieks spérkhein, spérkhesthai ‘id.’; Sanskrit spṛhayati ‘zich inspannen’; Avestisch a-spərəzatā ‘hij spant zich in’. Een andere mogelijkheid is verband met Latijn spargere ‘strooien, sprenkelen’ (Schrijver 1991, De Vaan 2008).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

springen* [zich in de lucht verheffen] {1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels springan, oudfries, oudnoors springa; buiten het germ. mogelijk, maar erg onzeker, grieks sperchein [voortjagen], oudkerkslavisch prǫgŭ [sprinkhaan, lett.: springer].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

springen ww., mnl. springhen, os. ohd. springan (mnd. nhd. springen), ofri. springa, oe. springan, on. springa. — gr. spérchomai ‘ijlen, lopen’, oi. spṛhayati ‘begeert heftig’, av. sperezaiti ‘streeft’ (IEW 998).

IEW stelt een idg. wt. *sperĝh, spreĝh en sprenĝh op, die echter moeilijk te scheiden zal zijn van de wt. *sp(h)er, waarvoor zie: spar 1. Wij bevinden ons hier in de betekenissfeer van woorden als *spurnan (zie: spoor 1) en *sprintan (zie: sprinten). Willen wij deze woorden hier aanknopen, dan schijnt het waarschijnlijk dat er een tussenlid ‘vlechtwerk, heining’ aangenomen worden moet, waaruit zich dan die van ‘bijeenkomst in een omheinde ruimte’ (ding, tempel) ontwikkelde, die vervolgens tot woorden van bepaalde werkzaamheden voerde. Was springen oorspr. (evenals germ. *laikan) een rituele dans? (AEW 532-533).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

springen ww., mnl. springhen. = ohd., os. springan (nhd. springen), ofri. springa, ags. springan (eng. to spring), on. springa “springen” (en verwante bett.). Van een basis (s)preŋgh-, waarvan ook obg. prągŭ “sprinkhaan”, òf met serv. prȅzati se “wakker schrikken” van een basis (s)preñĝh- naast sperĝh- (gr. spérkhomai “ik snel”, oi. spṛhayati “hij ijvert voor, begeert”); vgl. bij brengen, wringen. Zonder nasaal nog on. sprôga “huppelen”. Idg. (s)pere(ŋ)gh-, (s)pere(ŋ)ĝh- zullen wel verlengingen van de bij spoor I besproken basis wezen. ’t Is gezocht om ’t vocalisme van springen door “entgleisung” te verklaren en russ. prýgnuť “springen”, lit. sprûkstu, sprûgau, sprûkti “ontkomen” voor direct verwant te houden. Of de germ. vormen met k (zie sprenkel II) op een idg. basis met g (ĝ) teruggaan of door jongere vervorming ontstaan zijn, is niet uit te maken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

springen o.w., Mnl. springhen, Os. springan + Ohd. id. (Mhd. springen, Nhd. id.), Ags. springan (Eng. to spring), Ofri. springa, On. id. (Zw. id., De. springe) + Gr. spérkhestha = zich haasten. Het staat wellicht tot den wortel van spoor 1 als brengen tot dien van baren.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

springen. In een van de varianten van het verwensingsversje stik, verrek, verrot, verteer enz. komt de regel loop naar de hel, spring uit je vel! voor. Letterlijk heeft deze regel een verwoestende uitwerking als pekel op auto’s. De betekenis ervan is afgezwakt tot ‘donder op, ik wil je niet meer kennen. → doodvallen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Springen, is waarschijnlijk afgel. van den Idg. wt. sprgh = snellen, haasten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

springen ‘zich in de lucht verheffen’ -> Zuid-Afrikaans-Engels springer (zn) ‘dier dat zich (gewoonlijk) in de lucht verheft’; Creools-Portugees (Batavia) ispring ‘besproeien’; Negerhollands sprin ‘zich in de lucht verheffen’; Berbice-Nederlands pringgi ‘zich in de lucht verheffen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

springen* zich in de lucht verheffen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

284. De bom is gesprongen (gebarsten),

d.w.z. het geheim is uitgekomen. Bij uitbreiding ook met betrekking tot voorvallen die, lang verwacht, eene beslissende wending veroorzaken; hd. die Bombe ist geplatzt; fr. la bombe a crevé; le secret éclata. In het Ndl. Wdb. III, 332 en 325 wordt bom verklaard als spon; het geheim wordt dan vergeleken met een geestrijk vocht, dat door zijne hevige werking den bom van het vat doet springen (breken) en zich een uitweg baant.Bij De Cock1, 38: De bom is er uitgesprongen, de vrouw is bevallen. Te Zandvoort: de bondel (spon) komt los. Syn. was in de 17de eeuw de bommel is uitgebroken (of gebarsten), waar bommel wel zweer zal beteekenen; vgl. het fr. l'apostème crèveIn het Ndl. Wdb. III, 332 wordt aan bommel in den zin van spon gedacht., la bombe a éclaté. Vgl. eng. it has come to a head (eig. punt van een zweer).

1733. Hij springt van den os op den ezel,

d.w.z. hij springt van den hak op den tak, van het eene onderwerp op het andere, van den tak op den boom. In de 16de eeuw bij Goedthals, 101: Van den osse op den ezel springhen, saillir de cocq a l'asne; Campen, 19: hy springt vanden Osse opten Ezel; Sart. I, 7, 95; vanden Os op den Ezel; Idinau, 30:

 De sulcke van den os op den esel vallen,
 Af-gaende van goedt, van eere, van state.
 T'is beter toe-sien, dan soo te mallen,
 Al wat bestellende ter sielen bate,
 Want als de doodt komt, t' wert veel te late.

Zie verder Brederoo I, 276, vs. 204: vanden os opten esel vallen; Huygens IV, 36; Pers, 342 a; Spect. X, 82; XII, 226; Adagia, 64: Vanden Os op den Ezel, de ramo ad ramum; enz. In de 16de eeuw beteekende de uitdr. zoowel achteruitgaan (o.a. bij Marnix, Byenc. 161 v; Van den Beelden, p. 13; Van Vloten, Geschiedzangen I, 336) als van den hak op den tak springen. De eerste beteekenis ontleende ze aan het lat. ab equis ad asinos transcendere, delabi, eene vertaling van het Grieksche αφ ιππων επ ονους dat bij Procopius, een Byzantijnsch schrijver uit de 6de eeuw na Chr., wordt aangetroffen, en dat te vergelijken is met het hd. vom Pferd auf den Esel kommen. De tweede beteekenis werd ontleend aan de ofr. uitdr, saulter, saillir du coq à l'asneBij Lucas D'Heere, Boomg. 89 is vanden Hane opden Esel, de titel van een soortgelijk onsamenhangend allegaartje als in R. Visscher's Brabb. 183: van den Os op den Esel; zie het Ndl. Wdb. V, 1389 en N.v.d. Laan, Uit Roemer Visscher's Brabbeling II. bl. 71; 99., wispelturig zijn, in welken zin Sartorius haar reeds vermeldt (apud nostrates tamen inconstantiam potissimum significat). Zie verder Taal en Letteren IV, 29-33; Ons Volksleven V, 145; Villiers, 93; Waasch Idiot. 620 a; Antw. Idiot. 1947 en vgl. de eng. uitdr. a cock-and-bull story (= fr. coq-à-l'âne). Opmerking verdient, dat in sommige deelen van Zuid-Nederland gezegd wordt iemand van den os naar den ezel jagen, schikken, in den zin van iemand die iets vraagt elders wijzen, hot en haar doen loopen, van het kastje naar den muur; zie Rutten, 164 a; Tuerlinckx, 466 en vgl. hiermede van den os op den ezel loopen in Zondagsbl. v. Het Volk, 1905, bl. 47: ‘Barend wist hoe z'n zuster van de os op de ezel geloopen had om 'n paar honderd pop te leenen’; in het fri.: immen fen 'e bok op 't ezel stjûre (zie no. 137). (Aanv.) Vgl. keper en haanbalk slaan, van den os op den ezel springen. (Ndl. Wdb. vu, 2218).

2142. Men moet niet verder springen dan de pols lang is.

Springt men verder dan de polsstok lang is, dan bereikt men den overkant niet en moet men in het water vallen (Spieghel, 269: niemand springht verder als sijn pols vermachVgl. ook Huygens I, 129: Hy past voor eerst zyn pols die zeker springen zal.); bij overdracht: regel uwe daden naar uwe krachten; zet de tering naar de nering, of zooals in het Bouc v. Seden staat, vs. 531 vlgg.:

 Dune moetsti niet verder strecken
 Dan dine cleedre moghen recken:
 Naer dien dattu neeringhe heves,
 So bedaerf di dattu leves.

Bij Campen, 27 vinden we opgeteekend: die veerder wil springen dan syn staff vermach, moet vallen; bij Sart. I, 7, 53: springt niet verder dan u stock raecken mag; Eckart, 496: de wîder springen will, as sîn Kluwstock reckt, fallt in 'n Slot; Starter, 350; Cats I, 479:

Maeck dat gy uw water meet:
 Maer let vooral, o goede man!
 Hoe ver uw polse reycken kan:
 Want veel te poogen sonder raet,
 En ver te springen sonder maet,
 En saken aengaen boven maght,
 Dat brenght 'er menigh in de gracht.

Zie verder Adagia 55: springht niet voorder als uwen stock lanck is, ne pennas nido majores extendas; Halma, 512; 603; Sewel, 760; Haareb. II, 191 b; III, 317 b; 318 a; Taalgids V, 151; Wander IV, 746; voor Zuid-Nederland Joos, 91; 191: springt niet verder als dat uw stok lang is; De Bo, 848: verder willen springen dan de pertse lang is; Antw. Idiot. 1193; 2057; syn. van hooger kakken als dat zijn gat is (Antw. Idiot. 44 b); in het fri.: min moat net fierder springe (of ljeappe) as de pols lang is; men moat de tsjin net to great sette, -nimme, men moet niet meer ondernemen dan men kan uitvoeren.

2345. Uit zijn vel springen,

d.i. barsten, hetzij van vrees, van woede of angst; thans alleen bij overdrijving gezegd van iemand, die woedend is, zich dik maakt en buiten zich zelf raakt; vgl. mnl. (van torne) spliten; ndl. barsten van spijt en het lat. (invidia) rumpi; gaudimonio, felicitate dissilireOtto, 303; Journal, 369. De uitdrukking dagteekent bij ons uit de 16de eeuw; ze komt voor in het Sacr. v.d. Nyeuwerv. 12: Ic springhe van vare (angst) uut den velle. Verder bij Hooft, Ged. II, 335: Om ien hayr soud' ick wel uyt mijn vel springhen van spijt; in de Gew. Weeuw. II, 24: Ik seg je, dat ik uit mijn vel meenden te springen van boosheid; Hofwijck, 552 (van vreugde); Spaan, 52; 90; Focquenb. Singh-Sangh I, 3: Mijn hartje brandt op koolen en springht mijn vel schier uyt; Tuinman I, 312; Langendijk II, 206; Harreb. I, 80 b; Antw. Idiot. 1322; Waasch Idiot. 620; 688 b; Schuermans, 777 b: Uit zijn vel springen van kwaadheid; iemand uit zijn vel doen springen; in het fri. ût syn fel barste, van trotschheid; ût syn fel springe fen lilkens (boosheid), fen blydskip. Te vergelijken is Despars, 3, 35: Hij meende uyt zijn schoens te springhene van quaetheden (vgl. De Bo, 998: Uit zijne schoen springen van verschot (schrik), van blijdschap of van gramschap); Paffenrode, 110: Ik spring schier uyt mynen draeghband dat ik sulke dingen vanje hoor; bl. 202: 't Is om door 't garen te springen (Sewel, 230); Winschooten, 229: zijn reuzel(s) scheuren; Coster, 356, vs. 1635: Ja wel, ick scheur mijn reusel en maacker een huyck van; Harreb. I, 338 b; Brieven v.B. Wolff, 333; Sewel, 673: Ik meende myn reuzel te scheuren, ik meende van spyt te barsten, I thought to burst with spite. Ook in andere talen kent men de uitdr. zooals blijkt uit het ofr. issir de sa pelZie Verdam in de Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Ndl. Ltk. te Leiden, 1897/'98, bl. 47, waar onze uitdrukking wordt beschouwd als een spoor van vroeger volksgeloof en als herinnering ‘aan den grijzen voortijd, toen onze voorvaderen nog het lichaam beschouwden als een gewaad, een bekleedsel der ziel, hetwelk zij onder bepaalde omstandigheden ook kon verlaten, het vermogen dus om eene andere gedaante aan te nemen.’; fr. ne pas tenir (ou crever) dans sa peau; hd. aus der Haut fahren oder springen; eng. to jump (or fly) out of one's skin (ook van vreugde). Zie no. 428.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal