Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spreiden - (plat uitleggen; gelijkmatig verdelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spreiden ww. ‘plat uitleggen; gelijkmatig verdelen’
Mnl. spreiden ‘verdelen, uitstrooien, verbreiden’ [1240; Bern.], ‘plat uitleggen’ in spreiden tue couertore van goutdraden ‘twee kleden van gouddraad uitspreiden’ [1260-80; VMNW], Soe wast emmer, daermense spreet ‘ze (t.w. wijsheid) groeit steeds daar waar men haar verbreidt’ [1300-25; MNW-R].
Mnd. spre(i)den; ohd. spreiten (nhd. vero. spreiten); oe. to-sprǣdan (ne. spread); ozw. sprēdha; alle ‘spreiden’, < pgm. *spraidijan-.
Herkomst onbekend. Het woord heeft de vorm van een afleiding, maar een bn. *spraida- ‘verbreid o.i.d.’ is niet geattesteerd, terwijl *spreidan- ‘zich uitstrekken’, waarvan spraidijan- een causatief zou kunnen zijn, slechts zeer spaarzaam in het Oud- en Middelhoogduits is geattesteerd en ook een terugvorming kan zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spreiden* [uiteenplaatsen, gelijkmatig verdelen] {spre(i)den 1201-1250} middelnederduits spre(i)den, oudhoogduits spreiten, oudengels sprædan, causatief bij middelnederlands sprieten [zich splitsen], oudhoogduits spritan [zich verspreiden]; buiten het germ. grieks sperma [zaad], speirein [zaaien], armeens sprem [ik verstrooi], oudiers sreïd [hij verspreidt, werpt] (vgl. sporadisch, sproeien, spruiten).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spreiden ww., mnl. spreiden, sprêden ‘uitspreiden, uitstrooien’, mnd. spreiden, sprēden, ohd. spreiten, oe. sprædan (ne. spread) nnoorw. dia. spreida, nzw. sprida, nde. sprede, een causatiefformatie bij ohd. sprītan ‘zich uitbreiden, zich verspreiden, versnipperen’. — Uit idg. *spreidh naast *spreid in ohd. sprīzan ‘uit elkaar spatten’, nnoorw. dial. sprīta ‘opborrelen, opspatten’ en abl. on. sprita (laat) ‘uitspannen, wijd uiteen spreiden’, nnoorw. sprita ‘wijd uitspreiden’, — lett. spriežu, spriēst ‘spannen’ (Persson, UUA 1891, 169). — Beide wortels zijn dentaal-afl. van *sp(h)erei, waarvoor zie: spar 1.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spreiden. Ier. srêdim, srêim ‘ik werp’ wsch. niet hierbij: Pedersen KG. II, 626.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spreiden o.w., Mnl. spreden + Ohd. spreiten (Mhd., Nhd. id.), Ags. spræ’dan (Eng. to spread), Zw. sprida, De. sprede + Oier. srédim = uitstrooien; verder bij spoor 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

spreiden (spreiden, heeft gespreid), (i.h.b.:) opmaken (bed.). De vierde [dienstmeisje] gaat ons bed spreiden (Doelwijt 1971: 56). - Etym.: In AN alleen in deze bet. als op de grond geslapen wordt en in enigszins speelse zin, ook fig.: ’Je bedje is daar gespreid, hoor.’
— : de hand spreiden, (niet alg.) de hand ophouden. - Etym.: Een opgehouden hand is open.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spreiden ‘uiteenplaatsen, gelijkmatig verdelen’ -> Deens sprede ‘uiteenplaatsen, gelijkmatig verdelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors spre, sprede ‘verstrooien, verdelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands sprej ‘verspreiden’; Papiaments † sprei ‘het bed opmaken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spreiden* uiteenplaatsen, gelijkmatig verdelen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut