Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spreekwoord - (spreuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spreken ww. ‘praten’
Onl. sprekan ‘praten’ in Than sprecan sal ce hin in abulge sinro ‘dan zal (hij) tot hen spreken in zijn toorn’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. spreken in wat so he spreken wolde ‘wat hij ook zeggen wilde’ [1200; VMNW].
Os. sprekan; ohd. sprehhan, spehhan (nhd. sprechen); oe. sprecan, specan (ne. speak); ofri. spreka (nfri. sprekke); alle ‘praten’, < pgm. *sprekan-. Onduidelijk is de relatie met de vormen met r-loze anlaut. Zie ook → spraak.
Verdere herkomst onzeker. Mogelijk heeft dit uitsluitend West-Germaanse sterke werkwoord een betekenisontwikkeling gekend van ‘knetteren, ritselen’ naar ‘praten’, vergelijkbaar met Oudkerkslavisch govoriti ‘lawaai maken’, dat in alle afzonderlijke Slavische talen, bijv. Russisch govorít', ‘spreken’ betekent. Deze aanname maakt verwantschap met on. spraka (zwak werkwoord) ‘knetteren, ritselen’ en Litouws spragė́ti ‘id.’ mogelijk, < pie. *spreg- (LIV 582). Een andere mogelijkheid is verband met Welsh ffraeth (< *spraktos) ‘welbespraakt’.
spreekwoord zn. ‘uitspraak met algemene levenswijsheid, waarvan de vorm onveranderlijk is’. Mnl. sprecwort ‘spreekwoord, gezegde’ [1290-1310; MNW-P]; vnnl. spreeckwoordt ‘spreekwoord’ [1573; Thes.]. Samenstelling van de stam van spreken en → woord, wrsch. naar het voorbeeld van Duits Sprichwort ‘gezegde’ [1285-90; Gärtner], dat vermoedelijk in verband staat met Middelhoogduits spriche ‘woord, rede’ [eind 12e eeuw?; Gärtner]. Vergelijk ook → spreuk.
Lit.: H. Petersson (1916), ‘Etymologische Beiträge’, in: Indogermanische Forschungen 20, 368

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spreekwoord [spreuk] {spre(e)cwoort [een gesproken woord, een gezegde, spreekwoordelijk gezegde] 1340-1350} < hoogduits Sprichwort.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spreekwoord znw. o., mnl. spre(e)cwort, -woort ‘gesproken woord, spreekwoordelijk gezegde’, mnd. spreecwoort, waarvan het 1ste lid de stam van spreken zal zijn. — Daarnaast staat mhd. sprichwort (na 1200 in Elzas en Oostenrijk), waarvan de herkomst niet duidelijk is (vgl. Kluge-Mitzka 732). — De zuid-duitse herkomst van sprichwort maakt het niet waarsch., dat mnd. mnl. naar zijn voorbeeld zou zijn gevormd. Men zal wel mogen uitgaan van een bet. ‘gesproken woord’, en dan > ‘algemeen gesproken woord’ > ‘spreekwoordelijk gezegde’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spreekwoord znw. o. Reeds mnl., Teuth., mhd. met de bet. “spreekwijze, spreekwoord”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spreekwoord. Wegens de i in mhd. nhd. sprichwort o. wil men in het eerste lid wel een znw. zien: v.Lessen Samengest. Naamw. 95. Noch een mhd. spriche, noch mnl. sprēke (= mnd. sprēke v.) zijn echter goed gefundeerd. Hoe ook de hd. vorm te verklaren moge zijn (uit de imperatief?? E.Schröder ZsfdA. 59, 48), het ndl. woord is wsch. van de aanvang af als een samenst. met de stam van spreken gevoeld. Eventueel kan mnl. (nog zeldzaam!) spreecwoort o. naar mhd. voorbeeld zijn gevormd.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spreekwoord (Duits Sprichwort)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Spreekwoord, algemene levenswijsheid, spreuk, gezegde.

Dit woord is zijn carrière in het Nederlands begonnen in bijbelvertalingen die zich hebben laten inspireren door de Duitse Lutherbijbel; het is dus een leenvertaling uit Duits Sprichwort. Het woord is voor het eerst aangetroffen in twee Nederlandse vertalingen uit 1524, in 2 Petrus 2:22 -- dit was twee jaar na het verschijnen van dit deel van de Duitse Luthervertaling. In de Liesveldtbijbel van 1526 komt het woord niet voor in 2 Petrus 2:22, maar wel in 1 Samuël 24:14 (zie hieronder), in de NBV; 'Zoals het oude spreekwoord luidt: Slechte mensen, slechte daden'

Liesveldtbijbel (1526), 1 Samuël 24:14. Somen seit na dat oude spreecwoort, Van ongodliken comt onduecht.
Hoewel het spreekwoord zegt dat bij Carnaval alles mag, is er dit jaar een duidelijk taboe in het Zuiden. En dat is de watersnood. (Journaal, feb. 1994)
Hij zal een lezing verzorgen met dia's onder de titel 'Levende spreekwoorden'. Hierbij worden aan de hand van oude gebruiksvoorwerpen diverse spreekwoorden verklaard. (Meppeler Courant, feb. 1993)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spreekwoord ‘spreuk’ -> Negerhollands spreekwoord ‘spreuk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spreekwoord spreuk 1524 [TNTL 1957, 104] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut