Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spraak - (vermogen om te spreken; manier van spreken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spraak zn. ‘vermogen om te spreken; manier van spreken’
Onl. spraken ‘gesproken uitingen, woorden’ [10e eeuw; ONW]; mnl. sprake ‘taal’ [1200; VMNW], quade sprake ‘kwaaie woorden, woordenwisseling’ [1236; VMNW], sprake ‘gesprek, welsprekendheid’ [1240; VMNW], Oec verloes hi sine sprake ‘ook verloor hij zijn spraakvermogen’ [1285; VMNW], onderlinghe spraeck ‘onderling gesprek’ [1430-50; MNW-P], spraick ‘spraakvermogen’ [1477; MNW]; vnnl. sprake zijn van in Hier af was dicwils sprake [1566; iWNT].
Os. sprāka; ohd. sprāhha (nhd. Sprache); ofri. sprēke (nfri. spraak, sprake); oe. sprǣc; alle ‘spraak, gesprek, rede, aanklacht e.d.’ < pgm. *sprēkō- ‘vermogen tot spreken’. Daarnaast bestaan ook vormen zonder -r-: oe. spǣk, spēk ‘spraak, rede’ (ne. speech), mhd. spaht ‘luid gepraat, geklets’.
Ablautend zn. bij de wortel van → spreken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spraak* [het vermogen te spreken] {oudnederlands spraca 901-1000, middelnederlands sprake} oudsaksisch spraka, oudhoogduits sprāhha, oudengels spræc; ablautend met spreken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spraak znw. v., mnl. sprâke v., onfrank. sprāca, os. sprāka, ohd. sprāhha (nhd. sprache), ofri. sprēke, sprētse, oe. spræc ‘het spreken, spraak, taal’. — Afl. van spreken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spraak znw., mnl. sprâke v. = onfr. sprâca, ohd. sprâhha (nhd. sprache), os. sprâka, ofri. sprêke, sprêtse, ags. spræ̂c v. “’t spreken, spraak, taal”. Ablautend met spreken. Voor dgl. formaties zie braak I, maat I, waag I, wraak.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spraak v., Mnl. sprake, Os. spráca + Hgd. sprache: van denz. stam als ’t meerv. imp. van spreken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

spraok (zn.) spraak, taal; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) sprauk, Aajdnederlands sprake <901-1000>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spreuk, sprook, spraak, van spreken, waarvan de oorsprong niet duidelijk is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spraak ‘het vermogen te spreken’ -> Fries spraak, sprake ‘vermogen om te spreken; manier van spreken’; Deens sprog ‘taal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors språk ‘taal; wijze van spreken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds språk ‘het vermogen te spreken’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spraak* het vermogen te spreken 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1468. De derde man brengt de spraak a(a)n.

Dat deze meening reeds in de 17de eeuw bestond blijkt uit Van Moerk. 223: De derde Man seytme die ken de meeste praet make; Klucht v.d. Schoester, 6: Zoo brengt de darde man de praat aan tot vermaakZie Ndl. Wdb. III, 2422.; zie verder W. Leevend II, 74: De derde man brengt de praat of de stilte an; Tuinman I, 7: De derde man brengt de praat aan. Zie Harreb. II, 54 a; fri. de trêdde man bringt de praet oan; Dirksen I, 20: de darde man brengd geselskup an, wenn drei Personen bei einander sind, kommt die Unterhaltung erst recht in Flusz. Het znw. man heeft in deze uitdr. nog de oudste beteekenis van mensch bewaard, evenals in de gemeene man, op den man af, als de nood aan den man komt, aan den man brengen, enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut