Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spouwen - (kloven)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spouwen1* [kloven] {spouden 1407-1432, spauwen 1573, vgl. spoudinghe 1293} oostmiddelnederlands spalden [splijten], middelnederduits spalden, oudhoogduits spaltan, oudengels speld [stuk hout, fakkel], oudnoors spjald [plankje], gotisch spilda [idem]; buiten het germ. latijn spolium [afgestroopte huid, op een vijand buitgemaakte wapens], grieks spolas [afgestroopte huid], bretons faoutañ [splijten], litouws spaliai (mv.) [vlasschaafsel]; op enige afstand verwant met splijten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spouwen ww., mnl. spouden ‘splijten’, mnd. spalden, spolden, ohd. spaltan (nhd. spalten), waarnaast abl. spelt. — Van de idg. wt. *(s)p(h)el ‘splijten’, zie: spalk. — Mogelijk > me. spalden, spawden, ne. dial. schots spald ‘splijten’, en dan als term van hout- en vishandel, vgl. ne. spalding ‘gespleten stuk gedroogde vis’ (vgl. Toll 37).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spouwen ww. Uit mnl. spouden “splijten” = ohd. spaltan (nhd. spalten), mnd. spalden, spolden “id.”. Dit ww. komt evenals mhd. spëlte v. “splinter”, mnd. spëlderen “spaanders”, ags. spëld o. “stuk hout”, on. spjald, spëld o. “plank”, got. spilda v. “schrijftafel” en wsch. ook de woordgroep van spillen van de idg. basis (s)pelt-, (s)phelt- “splijten”, waarvan ook bret. faut “spleet”, oi. paṭati “hij barst”, pâṭáyati, sphâṭayati “hij splijt” (trans.) komen. Deze basis is een verlenging van (s)p(h)el-, waarvan oi. phálati “hij barst”, verder wellicht mhd. spale “laddersport”, meng. spale “splinter”, on. spǫlr m. “dunne, platte staak”, lat. spolium “afgestroopte huid”, gr. psalís, aeol. spalís “schaar”, lit. spãliai “afval van vlas” e.a., o.a. veel gr. woorden. Zie nog spalk, splinter, spoel, vaalt, ook spaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spouden 1, spouwen o.w., Mnl. spouden + Ohd. spaltan (Mhd. en Nhd. spalten), Mhd. spelte = splinter, Ags. speld = stuk hout, On. spjald = plank + Skr. wrt. sphât = splijten. Bret. faut = spleet; verder verwant met spaan, spoel, splinter.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spouwen* kloven 1407-1432 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut