Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spot - (schertsende humor)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spot 1 zn. ‘schertsende humor’
Onl. sppt (geheimschrift voor spot) ‘vrolijk optreden’ [951-1000; ONW]; mnl. iren spot grot ‘hun grote spot’ [1201-25; VMNW], Ende hildent al vor spot ‘en (zij) beschouwden het allemaal als een grap’ [1285; VMNW].
Os. spot; ohd. spot; ofri. spott (nfri. spot); on. spott ; alle ‘spot, hoon’, < pgm. *spuþþa-.
Herkomst onzeker, maar wrsch. op te vatten als een dentale afleiding bij de wortel van → spuwen. Te vergelijken is bijv. ook nzw. spotta ‘spuwen’. Zie ook → spuiten.
spotten ww. ‘de draak steken, schertsen’. Onl. in de afleiding bispotton in Got bespotten sal si ‘zij zal God bespotten’ [10e eeuw; ONW]; mnl. spotten ‘spotten, schertsen’ in urowe seid aiol gi spot ‘Mevrouw, zei Aiol, u maakt me belachelijk’ [1220-40; VMNW]. Afleiding van spot.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spot znw., mnl. spot (tt) m. o. = ohd., os. spot (tt; nhd. spott), ofri. spot(t) (m.?), on. spottr m., spott o. “spot”. Hierbij ’t ww. spotten, mnl. spotten, ohd. spottôn (nhd. spotten), mnd. spotten, ofri. spottia, on. spotta “spotten”. Met ’t oog op de tt zoowel in het Hd. als in het Ndd.-Ndl. wellicht van een grondvorm met germ. þþ (vgl. lat, mot I). De combinatie met obg. spyti “vergeefs, zonder grond” is onzeker. Evenzoo die met spuwen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spot 1 m. (spotternij), Mnl., Os. id. + Ohd. spot (Mhd. id., Nhd. spott),Ofri. spot, On. spott(r) (Zw. spott, De. spot), wel bij spuiten, dat Antw. ook = spotten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1spot s.nw.
1. Handeling van grappe maak. 2. Voorwerp wat belaglik gemaak of waaroor oneerbiedig gepraat word.
Uit Ndl. spot (1539 in bet. 1, 1568 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844).
D. Spott (8ste eeu).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spot ‘spotternij, hoon’ -> Frans dialect spot, èspot, espot ‘spotternij; spotnaam’; Negerhollands spot ‘spotternij, hoon’; Sranantongo spotu ‘hoon, spotternij’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

626. Den gek houden (of hebben) met iemand (of iets),

d.w.z. den spot drijven met iemand of iets (zie o.a. V.d. Water, 77); fri.: de gek mei immen ha; gron. de guchel met iets drijven (Molema 139 a); nhd. den Gecken treiben mit etwas; 17de eeuw: zijn guichelspel met iemand of iets drijven; vgl. iemand voor den gek houden. Deze uitdr. zal ontstaan zijn door contaminatie van sijn(e) spot (sceren, scop, gile) houden of maken met eenen (of om iet) en den gek (den alf, den spot, den draak) met iemand (of iets) steken. Vgl. het Groningsche iemand de gek anscheren, ontstaan door verwarring van ‘iemand den gek aansteken’ en ‘met iemand scheren’ (Molema II a); ook in 't Nd. de Geck anschêren (Eckart, 141). In Zuid-Nederland: met iemand den zot houden; mnl. den sot met enen maken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut