Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spot - (vochtvlek)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spot1* [vochtvlek] {spot(te) [vlek, plek, stuk, strook] 1287} engels spot, oudnoors spotti [stukje], zweeds spott; ablautend bij spuiten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spot znw. m., mnl. spot m. o., os. ohd. spot (nhd. spott), ofri. spot, on. spottr m., spott o. — zie: spotten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spot 2 v. (vlek), Mnl. spotte + Eng. spot, Zw. spott: abl. bij spuiten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spot ‘(gewestelijk) vlek, vochtstip’ -> Engels spot ‘smet, blaam; vlek(je); een beetje, iets; plek, plaats’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut