Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sponsor - (verlener van financiële steun)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sponsor zn. ‘verlener van financiële steun’
Nnl. sponsor ‘iemand die borg staat’ in De emigratie naar Canada verloopt volgens een sponsorsysteem: men moet iemand hebben in Canada, die voor huisvesting zorgt en die voor een jaar werk garandeert tegen een vastgesteld loon ... Wie geen sponsor heeft, moet zijn zaak via de civiele instanties laten lopen [1947; NKS], ‘iemand die de kosten draagt’ in een zending kleedingstukken ... ontvangen, van hun “sponsor”, de Rumson Country Day school uit New Yersey, die onze school in Bruinisse heeft geadopteerd [1947; Zierikzeesche Nieuwsbode].
Via Engels sponsor ‘iemand die de kosten draagt’ [1931; OED], eerder al ‘iemand die borg staat’ [1651; OED], ontleend aan Latijn spōnsor ‘peetouder’, eerder ‘borg’, afgeleid van het werkwoord spondēre ‘plechtig beloven’. Ook in het Nederlands is dit Latijnse leenwoord gebruikt met de betekenis ‘iemand die borg staat’ [1658; Meijer].
Latijn spondēre is verwant met: Grieks spéndein ‘offeren’; Hittitisch išpant- ‘id.’; < pie. *spend- ‘offeren’ (LIV 577).
Lit.: NKS: Nederlandse katholieke stemmen: maandschrift voor theologie en zielzorg, 1952, 109

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sponsor [die de kosten draagt] {na 1950, maar al veel eerder uit het lat. geleend als ‘borg’ 1669} < engels sponsor < latijn sponsor [borg], van spondēre (verl. deelw. sponsum) [instaan voor, garanderen] (vgl. respons).

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

sponsor zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = geldschieter, (financieel) ondersteuner, geldgever. Dankzij onze gulle geldschieter beschikt onze voetbalvereniging over een geheel vernieuwd stadion.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sponsor die de kosten draagt 1961 [GVD] <Engels

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sponsor (Engels sponsor)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sponsor ‘iemand die de kosten draagt’ -> Indonesisch sponsor ‘iemand die de kosten draagt’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo sponser ‘iemand die de kosten draagt’; Surinaams-Javaans sponsor ‘iemand die de kosten draagt; sponsoren’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal