Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

spons - (kolonie van eencellige diertjes, schoonmaakhulpmiddel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

spons zn. ‘schoonmaakartikel’
Mnl. sponge, sponse ‘poreus omhulsel van weekdier’ in een sponghe vp een riet ghebonden ‘een spons vastgemaakt op een stok’ [1285; VMNW], daer doopten si een spongi in [ca. 1440; MNW], netten eene sponse daerin ‘een spons daarin natmaken’ [1450-1500 MNW]; vnnl. ook nog wel de vorm sponcie, spongie ‘spons, schoonmaakartikel’ in water, gelijc als wt een Sponcie gedruct wort [1595; WNT spongie], spons ‘schoonmaakartikel’ in vagen, met sponts en water ‘schoonmaken met spons en water’ [1605; WNT].
Ontleend aan Oudfrans esponge ‘poreus omhulsel van weekdier, dat vocht opneemt’ [13e eeuw; TLF], ouder espoigne [ca. 1220; TLF], (Nieuwfrans éponge), dat teruggaat op Latijn spongia, spongea ‘spons; zeker weekdier’; dat woord is zelf ontleend aan Grieks spongiá ‘spons’, ouder spóngos ‘id.’, dat op zijn beurt een leenwoord is uit een onbekende niet-Indo-Europese taal.
Latijn fungus ‘zwam, paddenstoel’ en Armeens sunk, sung ‘id.’ gaan wrsch. op hetzelfde woord terug, dat dan een algemene betekenis ‘sponsachtige plant’ moet hebben gehad.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spons1 [kolonie van eencellige diertjes, schoonmaakdoek (oorspr. van het geraamte van de dieren)] {sponge [zwam] 1285, sponse 1401-1500} < oudfrans esponge < latijn spongia [spons, puimsteen] < grieks spoggia [spons] (vgl. fungilore).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

spons znw. v., mnl. sponze, os. spunsia < romaans spungia < gr. spoggia. Daarnaast staan mnl. sponge, spongie, spondie, ohd. spunga, oe. spynge, die eerder < ofra. esponge (nfra. éponge).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

spons znw., mnl. sponge, spongie (d.i. sponžǝ) v. Of evenals eng. sponge uit ofr. esponge (fr. éponge) “spons” òf evenals os. spunsia v., ags. spynge v. “id.” reeds vroeger via ’t Rom. uit gr.-lat. spongia “id.” ontleend; dit laatste is minder wsch.: dan was mnl. sponse te verwachten (dat komt wel voor, maar als spellingvariant = sponžǝ).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

spons. Eng. sponge (reeds laat-ags.) kan ook als meer geleerde ontl. aan lat. spongia, spongea worden opgevat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spongie, spons v., Mnl. spongie, Os. spunsia, gelijk Fr. éponge, uit Lat. spongiam (-a), van Gr. spongiá, waarnevens sphóngos + Arm. sunk, Lat. fungus = zwam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

spons: s.nw. en ww., poreuse dierlike seegewas; met iets (bv. ’n spons) afspoel, afwas, benat; Ndl. spons (Mnl. sponge/spongie, wsk. ontln. aan Ofr. esponge (Fr. éponge)), Eng. sponge, hou verb. m. Lat. spongea/spongia, Gr. spoggia, afl. v. spoggos, “spons”, hierby Ndl. ww. sponsen/sponzen, Afr. spons.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

spons: (soldatentaal) dronkaard. Omdat een spons vloeistof opzuigt. Vermeld door Van Ginneken.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

spons (Oudfrans esponge)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Spons (Mnl. spongie, Os. spunsia) van ’t Lat. spongia, Gr. spoggia = spons.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

spons ‘schoonmaakdoek’ -> Duits dialect †)Westmünsterland) Spuns, (Oost-Friesland) Spons, Sponsje, (Niederrhein) Spönske ‘(Oost-Friesland) badspons; (Westmünsterland, Rijnland) schoonmaakdoek’; Deens spuns ‘gat in een ton, opening in een blok; stuk hout om gat mee te vullen; stukje vlaggendoek dat ingelegd kan worden’; Indonesisch sepon, spon(s) ‘vochtopzuigend gedeelte van bepaald dier, gebruikt om mee schoon te maken’; Jakartaans-Maleis sepon, spon ‘schoonmaakdoek’; Javaans sepon ‘schoonmaakdoek’; Kupang-Maleis spons ‘schoonmaakdoek’; Soendanees sĕpon ‘schoonmaakdoek, spons’; Creools-Portugees (Batavia) sponnja ‘schoonmaakdoek’ (uit Nederlands of Portugees); Negerhollands spons, sponsje ‘schoonmaakdoek’; Papiaments spòns (ouder: spons) ‘schoonmaakdoek’; Sranantongo sponsu ‘schoonmaakdoek’; Surinaams-Javaans sepons ‘schoonmaakdoek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

spons zwam 1285 [CG Rijmb.] <Frans

spons schoonmaakdoek 1605 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2135. De spons halen over iets,

l. fr. passer, enz.

d.w.z. iets niet meer aanroeren, er niet meer over spreken; het uitwisschen; vgl. hd. Schwamm drüber; hd. passer l'éponge sur la faute de qqn (Corneille); vgl. Halma II, 324: Passer l'éponge sur quelque chose, en effacer le souvenir, de spons ergens overhalen,Wellicht nog niet spreekwoordelijk. iets uitwisschen of uitdoen; Handelsblad, 13 Nov. 1913 (ochtendbl.) p. 3 k. 1: Over haar verleden wordt de spons gehaald; 15 Juni 1920 (A.) p. 2 k. 2: B. en W. zijn niet voornemens de spons ook over het voorgevallene van 8 Juni te halen; 17 Maart 1921 (O.) p. 5 k. 4: Er is verzocht de spons door de staking te halenContaminatie met een streep halen door iets.; Opr. Haarl. Cour. 24 Febr. 1922, p. 1 k. 2: Laten Rijk en Gemeente de spons over de lei halen. Hiernaast iets wegsponsen (vgl. eng. to sponge out, off) in Het Volk, 19 Nov. 1913 p. 5 k. 2: 't Geweten weg te sponsen, dat stelen stelen noemt. Te vergelijken is de zegswijze zand er over, dat we lezen in De Arbeid, 6 Mei 1914 p. 1 k. 4: Enfin zand er over. Evenzoo in het nummer van 10 Juni 1914 p. 4 k. 2; De Telegraaf, 29 Jan. 1915 (avondbl.) p. 3 k. 2: Zand over 't protocol!; fri. sân der oer! spreek niet meer over die (onaangename) zaak; syn. modder er over in Propria Cures XXVI, bl. 310: Maar laten we op deze intieme kwestie niet verder ingaan. Modder er over!; hd. Punctum und streu Sand drauf. Ontleed aan de vroegere gewoonte om zand te strooien over een pas geschreven stuk om het te laten drogen.

2136. Vegen met de spons van Blanus,

eene in Amsterdam en elders in Holland gebruikelijke zegswijze voor: een teleurstelling ondervinden, een strop hebben, een raggeling krijgen of raggelenKöster Henke, 56.. Zie Harreb. III, CXIV: ‘Geveegd met de spons van Blanus, wanneer aan iemand de eene of andere zaak mislukt, en men zich daarover vroolijk maakt, veegt men met de hand over den mond, of zegt eenvoudig: vegen, ook wel: geveegd met de spons van Blanus. Deze Blanus was directeur van een paardenspel.’ Volgens J.v. Maurik, Jong. 238-239 moet de oorsprong dezer zegswijze gezocht worden in het volgende voorval. BlanusDe eigenlijke naam is Blanes., directeur van een paardenspel, stond op de kermis naast een concurrent; zij trachtten elkander zooveel mogelijk te benadeelen. ‘Het was een gevecht op leven en dood. De Hagenaar kreeg op 't laatst geen “Volk” meer en sloot vóór de kermis uit was. Stralend van rechtmatige vreugde en trots hield Blanus een lange, wèl doordachte rede en - toonde den volke ten slotte een groote natte rijtuigspons, die hij met beide handen uitkneep, zoodat het water er aan alle kanten krachtig uitspoot. Triomfantelijk riep hij uit: Geacht publiek - let op astublief, dit is de zuivere beeltenis van de positie van 't geval. Zóó geweldig als 't nou uit deze spons uitloopt, zóó loopt 't in mijn circus in! En daarna de uitgeknepen spons omhoog houdend: - D'r is geen druppeltje meer in - zóó is 't nou bij mijn buurman de Hagenaar - hij is op de flacon.... God is rechtvaardig! Zoo'n greep te doen, ter onderlijning van zijn woorden is geniaal, het Amsterdamsche publiek begreep dat dadelijk en jaren lang bleef “het is de spons van Blanus” een gevleugeld woord’In Amstelodamum, 1923, p. 38 komt Henri Polak tegen dit verhaal op. Hij beschouwt dit als een stukje volksfantasie, aan 't welk geenerlei voorval ten grondslag ligt.. Zie verder Het Volk, 14 Sept. 1912, 2de blad: En 't is waar, want om ons te pronk te stellen is niks dan haat. ‘Dat is de kif’,Dit is het ndl. gif(t) uitgesproken met een Joodsche g. Vgl. onze uitdr. zijn gif(t) uitspuwen, braken, met betrekking tot den nijd, waarvan de slang het zinnebeeld is. Naast kif zegt men kift. Vgl. De Timmerman, Orgaan van den Algem. Ned. Timmerlieden Bond, 15 April 1915, p. 2 k. 2: ‘Da's de Kift’. Bovenstaande is geen mooie uitdrukking, doch in de volksmond van algemeene bekendheid. De uitdrukking wordt gebruikt tegen hen, die uit afgunst of nijd smalend spreken over een of andere zaak; aldaar p. 3: 't Heele zaakje van ‘Het Bouwvak’ is niets dan.... ‘de kift’; D.v.S., 11; 45; 85; 122 naast een werkw. kiften, nijdig zijn (bl. 63); Da's de gif! komt ook voor in Het Volk, 22 Sept. 1915, p. 2 k. 4; kiftzoekerij in De Arbeid, 8 Jan. 1916 p. 4 k. 1. omdat ze met Rooie Dinsdag een strop hebbe, omdat de koningin nou zelf komt, omdat Troelstra in de glase koets wou, ja, noppes (zie no. 1651) - hij veegt met de spons van Blanus; Nkr. I, 20 Oct. p. 3:

 Centen zijn van ons niet te halen,
 Zoodat wij met de spons van Blanus betalen.
 - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
 Men wist nog niet dat de spons van Blanus een betaalmiddel was.
 Enfin, t' is ook de nieuwste uitvinding van het N.A.S.

Eenigszins anders in Nkr. I, 3 Nov. p. 3:

 Met een beroep op vrouw en kinderen
 Wou ie Mageren Hein verhinderen
 Hem de tol aan de natuur te doen betalen,
 Maar deze wou er de spons van Blanus niet over halenNog anders in Van Ginneken, Regenboogkl. 177: De gannef heeft 'm gesmeerd met de spons van Blanus. Deze uitdr. ook in Amstelodamum, 1923, bl. 31..

Hiernaast ook alleen vegen, geen werk hebben, tegenspoed hebben, een strop hebben, in P.K. 140: Ja, jij (een snorder) bent gelukkig - jij hebt haast altijd volk, maar ik - ik veeg gewoonlijk; evenzoo blz. 143 en 160: 't Is weer vegen vandaag. Ja, maar naar huis; misschien is er van avond wat werkOf moet hier gedacht worden aan de uitdr. zijn mond kunnen afvegen, niets krijgen? Zie Ndl. Wdb. I, 1741: Hij kan zijn mond afvegen, evenals de anderen doen, nadat zij genoten hebben, dat kan hij, maar het genot zelf valt hem niet ten deel. Vgl. fr. brosser (se) le ventre, n'avoir plus rien à attendre..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut