Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sponning - (schuifgleuf)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

sponning zn. ‘schuifgleuf’
Vnnl. de plancken vande voorwaterloop sullen met een sponding in de groote stijlen vant kosijn gewrocht worden [1634; iWNT], sponningh. een naet ofte uitgesneden keep, in eenig hout, daer men een ander stuck hout om te sluiten invoegt [1671; iWNT]; nnl. sponning, groeve in een duig [1717; iWNT voor I].
Hetzij gevormd uit sponde ‘bed(denplank), gleuf’, dat ontleend is aan Oudfrans esponde ‘rand’, ontwikkeld uit Latijn sponda ‘(onderstel van een) bed’, en het achtervoegsel -ing, hetzij gevormd uit spon ‘vulgat in een (wijn)vat’, eerder mnl. spont ‘id.’ [1477; MNW], dat ontleend is aan Italiaans spunto ‘id.’ [1778; DELI], net als het ww. spuntare ‘van gaten voorzien’ [ca. 1320-40; DELI] teruggaand op Latijn (ex)pūnctum ‘geboord gat’, en hetzelfde achtervoegsel -ing.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

spong [gleuf] {1664} verkort uit sponning.

sponning [gleuf] {1671} via sponding {1634} < sponde.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sponning, spong znw. v., vgl. laat-mnd. sponghe ‘gleuf waarin iets sluit’, is een afl. van het onder spon behandelde romaanse woord. In de taal van timmerlieden heet het ook spond ‘schuif, beweegbare plank in een gleuf’, vgl. rijnlands šbont, gešpont ‘houten omlijsting’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

spong v., samengetr. uit sponning.

sponning v., voor sponding, van sponde.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sponning, spong ‘gleuf’ -> Duits dialect Sponning ‘gleuf, kerf’; Deens spunding ‘gleuf’ (uit Nederlands of Duits); Russisch špunt, špont ‘driehoekige insnijding in de kiel en de voor- en achtersteven voor de huidplanken’; Indonesisch sponéng ‘gleuf’; Javaans sekoneng, sepunan ‘gleuf’; Papiaments spònen (ouder: sponning) ‘gleuf’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sponning gleuf 1671 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut