Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sponde - (beddenplank, bed)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sponde [bed] {spond(e) [beddenplank, sponning, trottoirrand] 1265-1270} < oudfrans esponde [rand] < latijn sponda [onderstel van een bed, rustbed].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sponde znw. v., mnl. sponde ‘beddeplank’ mnd. sponde, spunde ‘onderstel van een bed’ < ofra. esponde < lat. sponda ‘onderstel van een bed’. — Voor de verbreiding van dit woord in de hd. dialecten, vgl. Teuchert Sprachreste 265.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sponde znw., mnl. sponde v. “beddeplank”. Uit ofr. esponde < lat. sponda “onderstel van een bed”. Evenzoo mnd. sponde, spunde v. “onderstel van een bed”. In ndl. spond(e) “schuif, beweegbare plank met een gleuf” (reeds mnl.; mnl., oudnnl. ook = “rand van de verhooging van een plaveisel”) kan sponde zijn samengevallen met ’t bij spon besproken woord: vgl. mhd. spunt m. “id.” (nhd. spund). Bij dit spond(e) sluit zich spong, sponning (niet bij Kil.), reeds laat-mnl. sponghe aan. Voor den vorm vgl. mnd. spunne, spunge naast spunde.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

sponde v., Mnl. sponde = bedstede, de aaneengevoegde planken der bedstede, plank met voegen, gelijk Hgd. spund = plank met sponning of keep, enz., uit Ofra. esponde, van Lat. spondam (-a) = bedstede.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

spon, zn.: sponde, zijplank van een kar. Geapocopeerde vorm van sponde.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

sponde, sponge zn. v.: plank, vloedplank, vensterbank, voorplank aan bed, opstapje aan bed. Uit Ofr. esponde ‘rand’ < Lat. esponda ‘onderstel van bed’. De var. sponge door intervocalische wisseling nd/ng, eigen aan de kustdialecten.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

spon, sponde zijplank aan kar of wagen, voorplank van een bed (Zuid-Nederland). « lat. sponda ‘(onderdeel van een) rustbed’ (~ lat. pendo ‘ik hang’, nl. spannen).
Goossens 1963, II 1 9, WBD 60, WNT XIV 2922.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

sponze (FV), zn. v.: bakstenen stoep (naast huis). Dial. < Mnl. sponde ‘rand van de verhoging van een plaveisel of trottoir’. De Bo kent sponde voor ‘trottoirband’. Uit Ofr. esponde ‘rand’.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Sponde, van ’t Lat. sponda = bedstede.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

sponde ‘beddenplank, bed’ -> Duits dialect Sponde ‘bedstel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sponde beddenplank, bed 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut